Dood spoor

“Alleen jeugd kan dramatisch ondergaan, ouderdom is zijn moment voorbij. Als ouderdom ondergaat is dat niet tragisch, eerder een beetje belachelijk” (Remco Campert: Sombermans actie).

     ‘Heb jij het afgelopen kwartier nog een rood paaltje gezien?’ Mirjam vroeg het bijna terloops. Anderhalf uur geleden hadden ze het vakantiehuisje verlaten. Alle kerstbijlagen waren uitgelezen, het monsterlijk grote cryptogram gaf geen geheimen meer prijs en na dagen binnen zitten wilden ze er wel eens uit. Even de lucht van vijf en twintig jaar geleden opsnuiven in de Loonse en Drunense duinen.
     ‘We zitten nog wel op de goede route’ zei Herman. ‘We moesten eerst de bosrand volgen, en dan een pad haaks daarop naar de duinen toe. Dat hebben we gedaan en we moeten nu langzaam in een cirkel van 180 graden terug op huis aan gaan. Mijn richtingsgevoel zegt me dat we nu zo’n beetje halverwege die cirkel zitten.‘ Hij knikte nadrukkelijk om zijn woorden kracht bij te zetten. Zijn snor trilde een beetje.
     ‘Ik zou toch wel weer eens een paaltje willen zien. Al die grijzigheid om je heen! Het lijkt wel een schilderij van Armando.’
     ‘Daarom mis je die paaltjes ook. Kijk hier, die blauwe punt, dat zijn wij. We lopen in de richting van het Noorden, dan zijn we in de duinpan, dan moeten we nog wat bijdraaien en komen dan vanzelf bij het bungalowpark uit.’
      ‘Zouden we niet teruglopen tot dat laatste paaltje, en dan nog eens proberen?’
      ‘Ik ken het hier op mijn duimpje. Al die speurtochten die we hier met de padvinders in het holst van de nacht hebben gehouden….’
      ‘Jullie moesten om twaalf uur in je slaapzak liggen! We zijn hier met school, gewoon overdag, ook wel verdwaald. Daar was je zelf bij en je was even hard in paniek als wij allemaal’. Mirjam liep met een boog om een grote modderpoel met een flinterdun ijslaagje heen.  Herman was er met zijn zware laarzen dwars doorheen gestapt. Zijn besliste gang voorwaarts maakte een einde aan de discussie.
Mirjam dacht aan alle sporen die ze met hun gezin in deze bossen, rondom de grote zandverstuivingen hadden nagelaten. Ze mocht dan na haar middelbare schooltijd met Herman zijn weggetrokken naar de grote stad om te studeren, als ze de vrije natuur in wilden, keerden ze vaak terug naar hun wortels. Ze zag zich nog met het jonge gezin paaseieren zoeken. Herman liep voorop en strooide links en rechts de chocolade eieren in hun felgekleurde wikkels achter bomen, onder een struikje, of op een elfenbankje. Floris, Jan-Willem en Piotr liepen met haar mee, vonden de eieren en deponeerde ze in haar mandje, als drie apporterende hondjes. Terwijl de kinderen aan het zoeken waren, wierp zij de gevonden eieren weer met een grote boog over hen heen naar Herman, die ze opnieuw verstopte. En zo verder.
     Het pad werd steeds smaller en was op een gegeven moment ook voor de meest welwillende waarnemer niet meer dan een wens, zoals je ook gezichten in de wolken of op de maan kan ontdekken. Ze zwegen. Mirjam volgde maar. Typisch Herman, altijd de vlucht naar voren. Twee jaar geleden was hij in de greep van de warmtepomp. Toen duidelijk werd dat deze aanschaf alleen nuttig kon zijn bij een tonnen vergend isolatieprogram had hij al offertes bij drie aannemers lopen. Ze had hem kunnen pacificeren met de aanschaf van een aantal zonnecellen op het dak tegen een tiende van de prijs die zijn utopie zou hebben gekost. Daarmee voorkwam ze een financieel fiasco want het festival in Tivoli van afgelopen najaar had nauwelijks iets opgebracht terwijl de kostenposten van een gezin met opgroeiende kinderen zich aaneenregen: de bijlessen die Pjotr’s eindexamen veilig moesten stellen, het studentenleven van de tweeling in Groningen – een ontgroening bij Vindicat liep in de papieren – , de abonnementen op de schouwburg die ze zichzelf niet wilden ontzeggen.
Herman stond telkens stil om de routebeschrijving te raadplegen en klikte constant zijn mobieltje aan en uit om Google Maps erbij te halen. Mirjam zag het aan.  Geef Herman een gadget en hij is blij als een kind. Ze zag het op school ook bij de mannetjes, jong en oud. Altijd uit op de nieuwste apps, stappentellers, tikkies, gps-bepalingen; het waren altijd de jongens in de klas en haar mannelijke collega’s tijdens de koffie en lunchpauze.

     Het begon te sneeuwen. Herman snoof de frisse winterlucht op. Vroeger beschouwde hij de duinen een beetje als zijn achtertuin.  Het was toch wel een goed idee geweest om even een moment van rust in te bouwen. Maanden had hij gezwoegd om het programma van het Festival rond te krijgen. “De sadistische dissonant bij Gesualdo”, hij was nog steeds erg tevreden over de titel. Maar zo’n azijnpisser van de krant was te onbenullig om de portée op waarde te schatten. “Schoonebeek weet geen heldere lijn in zijn programma te houden”. Even zo goed had hij niet meer zo paraat hoe ze nu verder moesten.

     De sneeuw was begonnen als een fijn poeder maar intussen waren het stevige, vette vlokken. Mirjam probeerde op haar horloge te kijken. Dat was nog een toer, met haar pols gewikkeld in winterjas, trui en thermohemd.  Het was al over vieren. Over een uur zou het gaan schemeren. Herman begon met de sneeuw in zijn snor op een walrus te lijken.  Ze hervatte haar pleidooi om terug te gaan. ‘Over een half uur zien we in het donker niets meer. Als we teruggaan naar het laatste rode paaltje komen we vanzelf bij het fietspad en lopen we daarlangs naar het bungalowpark terug’.
     ‘Ja lekker. Dat is een uur teruglopen en het fietspad loopt helemaal rond het duin. Dat is nog eens twee uur lopen. We zijn al een heel eind op streek. Vertrouw me nou Mirjam’.
“Ver-trouw-me-nou-Mir-jam”.  In haar herinnering doemde die griet weer op. Het was een paar maanden terug, de periode van zijn festival, toen ze hem met een meid – een collega? - van zo’n jaar of 20, zo’n hip type met zwarte coltrui en opgestoken haar, in de bar van Tivoli had zien zitten. Hij had nooit over haar gerept maar het werd de maanden daarop vaker laat met wisselende gewichtige zaken.
      ‘Kijk naar die lucht. Er komt nog veel meer sneeuw aan!’
Herman wierp een blik naar boven, struikelde en ging met zijn knie door het ijslaagje in het modderige water.
     ‘Godverdegodverdegodver!! Jij ook met je lucht. Ik heb een zeiknatte broek’. Er passeerden nog een aantal krachttermen.
    ‘Nou heb ik het gedaan!’ Ze draaide zich om. Alsof zij hem opdracht had gegeven dwars door de plassen te denderen.
Herman antwoordde niet. Hij krabbelde overeind, veegde de modder van zijn broek en wees, na een korte blik op zijn mobiel, zwijgend in de richting van de duinpan. Napoleon aan de oevers van de Berezina. Hetzelfde besneeuwde landschap. Een horizon was in de voorliggende vlakte niet meer dan een streep tussen sneeuw en donkergrijze lucht, nauwelijks zichtbaar door de dicht neerdwarrelende sneeuwvlokken. Een enkele berk trok een verticale lijn. Hij begon weer te lopen in hetzelfde tempo.
Mirjam sjokte achter hem aan door de sneeuw. Ja, dat hoorde er ook bij. Nu wist hij dat hij fout gezeten had, hij schaamde zich maar had geen woorden om dat te zeggen. Dat was ook wel weer aandoenlijk aan hem. Hij zou er niet meer op terugkomen maar haar bij thuiskomst een extra knuffel geven. Maar zo gemakkelijk kwam hij er nu niet mee weg.

     Na een kwartier leek de overkant van het duin bereikt.  Ze hadden geen woord meer gewisseld. Maar het dunne rijtje berken bakende niet de zoom van de overkant af; het vormde slechts een eilandje in de duinvlakte die veel groter was dan gedacht. Herman vloekte binnensmonds. Het duin veranderde constant. Hij zou zweren dat het vroeger één oversteek was en dat je aan de overkant snel op het fietspad rond de duinen uitkwam. Dan was het kinderspel om het huisje weer te bereiken. Maar het duin, het duin gaat voort in eindeloos beweging.
    ‘Nou, we moeten nog een eindje verder’. Moest hij het hebben over de kansen die deze situatie bood? Over de uitdaging, de stip op de horizon? Als Mirjam nascholingscursus had gehad, kwam ze wel met dat soort kreten thuis.  Stip op de horizon zou wel van optimisme getuigen, gezien het zicht dat ze hadden.

     Mirjam antwoordde niet. “In geval van nood het ruitje intikken”. Deze krankzinnige gedachte beving haar terwijl ze Herman volgde die al weer de volgende witte vlakte was ingestoken. Ze vervloekte het onzalige idee om met dit hondenweer - toch duidelijk aangekondigd, waar had Herman eigenlijk Buienradar voor? - een frisse neus te gaan halen. Frisse neus, ammehoela. Ze mochten blij zijn als ze niet doodgevroren teruggevonden werden, volgende week, volgende maand, als de dooi inviel. Dat las je wel vaker. Ötzi, de alpenmens van 5300 jaar geleden, vers geconserveerd. Nou ja, dat was met een gletsjer en misschien met nog meer sneeuw, maar bij wijze van spreken.
Het begon te schemeren. Ze waren zeker al drie kwartier door het duin aan het lopen. Herman bleef staan en wees naar rechts. Een spoor van laarzen in de sneeuw. Kwam er een bewoonde wereld in zicht? Maar was dat berkenboompje niet het boompje waar ze een uur geleden het duin betreden waren?
    ‘Jansen en Janssens’ zei Herman somber.
 Mirjam trok haar wenkbrauwen op.
    ‘Kuifje’. ‘In meerdere albums verdwalen Jansen en Janssens en komen ze op een gegeven moment hun eigen sporen weer tegen. Rondjes gelopen. Eerst in “Kuifje en het Zwarte Goud”, later in “Mannen op de maan”. ‘
    ‘We zijn hartstikke verdwaald en jij begint over stripverhalen!’

     Herman zweeg. Sanne, die zou het begrepen hebben en de humor hebben ingezien. Mirjam snapte zoiets niet. Om te beginnen had ze al helemaal niets met strips. Dat vond ze een beetje vulgair. Nee, Mirjam had haar boekenclub waar ze met haar beschaafde vriendinnen de goede smaak van De Wereld Draait Door herkauwde. En los van het punt dat Mirjam de humor niet snapte, was ze ook in paniek. Sanne zou zich gewoon het bos uit bluffen. Die had het voordeel van de jeugd, eerst doen, dan denken. Zo had ze ook het Gesualdo project gered. Toen die sopraan zich ziekmeldde was ze onmiddellijk op internet gedoken om alle oude muziek vertolkers in Europa op een rij te zetten. Binnen een dag had ze bij allemaal geïnformeerd of ze nog een gaatje in de derde week van september hadden. Zijn bezwaren, dat het toch wel in de lijn van Gesualdo moest liggen, had ze weggewoven. ‘Als we mensen met tijd hebben, breien we er daarna wel een verhaal omheen’.
    ‘We proberen het gewoon opnieuw. Iets meer rechts aanhouden en rechtdoor blijven lopen’.

     Met vastberaden stappen hervatte Herman de tocht.  Mirjam kon niet anders doen dan volgen. Deed ze dat niet al haar halve leven? Ze ging in Utrecht studeren omdat zijn muze haar jeugdliefde daarheen dreef. Later had ze haar studie onderbroken om de kost te kunnen verdienen toen Hermans conservatoriumavontuur een voortijdig einde nam. Haar verdere carrière werd bepaald door de gaten die Herman in zijn CV liet vallen. Toch was ze altijd achter hem blijven staan. Wat had ze gedweept met Herman als jeugdig pianist, bij uitvoeringen van het conservatorium kamerorkest in kleine kerkjes. Koud was het daar vaak, zeker in de winter. En vol trots zat ze ieder jaar in dezelfde koude kerkjes bij het festival dat Herman inmiddels als zijn festival was gaan beschouwen. Die kou was wel een constante, ook nu weer.
Twintig minuten waren verstreken. Weer een bosrand.
    ‘Die mooie telefoon van jou, waar brengt dat licht ons heen?’
    ‘Batterij is op’
    ‘Wat? Hoe lang weet je dat al?
    ‘Kwartiertje of zo.’
    ‘Dus sinds we in “Kuifje” terecht kwamen, heb je helemaal geen idee meer in welke richting je loopt?’
    ‘Mens, mens, mens, wat hang jij toch van de zekerheden aan elkaar. Het zal nooit eens in je opkomen om jezelf als een onderdeeltje van de kosmos te beschouwen dat wie weet hier, maar wie weet ook daar zal landen. Jouw reis moet van kwartier tot kwartier uitgestippeld zijn. Het liefst met een aangegeven fotografeermoment’. Hij stormde in een blinde drift voorwaarts, het bos in.

     Op een sukkeldrafje, half struikelend door de sneeuw, volgde Mirjam zijn sporen. Ze bonsde hem met beide vuisten op de rug. Hij reageerde niet en liep in een rechte lijn door, takken voor zich wegslaand, het hoofd naar voren gekromd zoals een wild zwijn zich een weg door het struikgewas baant. Er viel niets te zeggen, bedacht ze. Het redelijk nadenken lag achter hen. Blijkbaar had Hermans angst tot hem een dermate adrenaline impuls gegeven dat hij tot niets anders meer in staat was dan te blijven rennen tot hij op een pad zou stuiten. Ze waren terug op het niveau van de oerhorde, door instinct voortgejaagd in de natuur.  
Ze kruisten een pad. Herman sloeg zonder iets te zeggen rechtsaf. Mirjam greep hem bij zijn jaspand en dwong hem tot stilstand.
    ‘Herman, ik kan niet meer. We hebben al vijf uur niets te eten of te drinken gehad.’
    ‘Moet ik een taxi voor je bellen?  Hij vervolgde hij zijn weg in de ingeslagen richting.
    ‘Als we teruggegaan waren om het rode paaltje te zoeken hadden we niet in deze ellende gezeten’
    ‘Als, als, altijd in details denken. Wat maakt dat ene rode paaltje nou uit, waren we ergens anders gaan lopen ronddolen. Het punt met jou is dat je de grote lijnen niet in de gaten houdt’
     ‘Nou wordt-ie goed. Schoonebeek, ze benadrukte zijn naam, Schoonebeek weet geen heldere lijn in zijn programma aan te brengen’. Het was vals, en ze had het niet moeten zeggen.
Herman ontplofte.
     ‘Dit is zo onder de gordel’.
     ‘Omdat je juist zo’n fan van de klare lijn bent? Nu kon ze niet meer terug. ‘Die dame laatst in Tivoli? Ook zo’n Hergé adept?’
Herman hapte naar adem, zweeg een minuut en vroeg ‘Waar heb je het over?
     ‘Een maand of vier terug. Toen je zo druk was met het Festival. Jullie zaten hand in hand en knietje aan knietje in “het gegeven Paard”. En sindsdien had je erg veel uitlopende besprekingen in de avond.’ Herman liet een kort lachje horen. ‘Oh, Sanne bedoel je. Dat is heel anders dan het leek. Dat was een stagiaire’. Hij maakte een wegwuivend gebaar en weer ging het verder in de door hem aangegeven richting.
     ‘Het zag er anders niet echt uit als een moment van kennisoverdracht, zal  ik maar zeggen’.
     ‘Neuh, napraten na een dag hard werken’.
     ‘Ze wilde graag dat je een versje in haar poëzie album schreef? Man, het had je dochter kunnen zijn’   
Herman zei niets meer. Ze bevonden zich wel weer op een pad, dat leek winst. Het kronkelde tussen de dennen en lariksen en had geen duidelijke bestemming. Met de invallende duisternis was het ook nauwelijks meer te ontwaren. Na een half uur, het was nagenoeg donker, kwamen ze op een zevensprong. Ze kruisten een breed pad, en aan de overkant waren vier kronkelige alternatieven mogelijk op het pad dat ze volgden.  Herman ging rechtdoor, koos voor een van de slingerende voortzettingen. Mirjam drong zich langs Herman en ging pal voor hem staan.
     ‘Tot hier en niet verder Herman. Het kan me niet schelen wat jij doet, maar ik kies voor de brede weg. Misschien wil je nog iets toelichten over die Sanne?’  
     ‘Wat ik zei. Stagiaire, onzekere jonge meid, sturing nodig.’
Miriam zette zich neer in de sneeuw. ‘Ga maar. Ik verzet geen stap meer. Ik heb de afgelopen vijf en twintig jaar sturing genoeg gehad.’
     ‘Goed, als je het per se weten wil, met Sanne had ik hier niet in de ellende gezeten, maar hadden we lol gehad. Die vraagt zich niet af of we de regeltjes wel netjes volgen, of we wel langs de goede paaltjes lopen, of we wel voor het donker thuis zullen zijn. Met haar had ik hier een avontuur gehad in plaats van het gevoel dat we op de Titanic zitten en ons laatste uur geslagen is.’ Hij begon aan haar te sjorren, maar kreeg haar niet overeind. Na enige ogenblikken gaf hij het op en sloeg zwijgend het ingeslagen kronkelpad in.

     Het pad was niet echt zichtbaar meer maar wel voelbaar. Zolang hij geen takken in zijn gezicht kreeg volgde hij het pad nog. Hoopte hij instinctief. Hij was de weg helemaal een beetje kwijt. Flitsen van hersenactiviteit buitelden door zijn hoofd en wilden niet meer tot een hanteerbaar patroon stollen, zozeer was het een mix van emotie, paniek, verlatingsangst, scrupule, zelfmedelijden, feitjes en zelfrechtvaardiging. Enfin, de oersoep had miljoenen jaren kunnen borrelen, mocht zijn hoofd dan ook even de tijd nemen voor er een beetje een solide redenering in ontstond? Een typisch voorbeeld van een gedachte waartoe hij niet meer in staat was. Hij struinde door als een comateus slachtoffer van een narcosefout, voor wie reflexmatige voortbeweging mogelijk was maar bij wie alle cognitieve hersenactiviteit ontbrak.
Niet eerlijk mag nooit een lolletje hebben Jump that train was dat nou BB King When love comes to town? vroeger struinen door de duinen met padvinders later klasgenoten die er hun eerste condoomervaring opdeden hij hoorde het aan en durfde net te zoenen op het schoolbal tu m’uccidi Oh cruele intrekken bij een twintigjarige en Pjotr en de tweeling dan? Sanne ziet me aankomen laat staan al die hippe vriendjes van haar moest-ie dan ook een tattoo? fietspad volgen kouwe voeten Mirjam zomaar laten zitten altijd vitten dat wel maar meestal gelijk aan haar kant maar saai want Sannes seks spettert is toch hobby net als boekenclub? wat niet weet wat niet deert maar blijkbaar weet ze en deert het wel altijd trouw voor hem gezorgd maar daarom in routine blijven hangen? eindeloos fietspad en als Sanne hem volgende maand dumpt? nieuw leven beginnen nu het nog kan wat een vreselijk cliché 7-years itch  American Beauty die films deugen tenminste en in wat voor slechte film ben ik in hemelsnaam…    
     Hij wist niet hoelang hij zo door was gestrompeld door het winterlandschap. Hij moest op een gegeven moment op het asfaltfietspad dat rond het gehele duingebied liep uitgekomen zijn. Als een zombie liep hij verder.

     De sneeuwvlokken vielen en bedekten Miriam’ s grijze muts en jas. Na enige tijd realiseerde ze zich dat de sneeuw langzaam smolt op haar broek en natte plekken veroorzaakte. Ze krabbelde overeind en begon te lopen over het brede pad.  Ze liep in een roes, door haar tranen zag ze nauwelijks waar ze liep en ook al had ze het kunnen zien dan had het nog niets uitgemaakt. Ze was alles kwijt. Haar gevoel voor de geografische ruimte, haar gevoel van verbondenheid met de grond waarop ze liep, haar coördinaten voor de relationele ruimte waarin ze zich de afgelopen jaren had bewogen. 
Dit was het. Afgeserveerd als een dwangneuroot. Weggezet als een regelnicht die aangestuurd werd door voorschriften zonder het vermogen tot zelfstandig oordeel. Twintig jaar carrière opzijgezet om manlief te kans te geven zich te ontplooien. Voorbijgestreefd door een existentialistische dame après la lettre die uiteraard iets strakker in haar vel zat dan zij. 
Ze moest afstand nemen.
Voorbij zondags ontbijt.
 Voorbij rode lopers.
Voorbij ’s avonds nog even een talkshow kijken.
Voorbij ’s nachts een hand vastpakken.
Voorbij ouderavonden in studentenhuizen.
Voorbij intieme etentjes met goede vrienden. 
Voorbij schouwburgabonnement.
Voorbij vakantiebeurs bezoek.
Voorbij running dinner.
Voorbij caravan.
Voorbij kameraadschap.

     In de verte zag ze huizen en licht. Van de andere kant kwam een eenzame wandelaar aansjokken.

     ‘Hoi’ zei Herman.
     ‘Hoi’ zei Mirjam
     ‘Samen verder?’ vroeg Herman
     ‘We zijn er toch bijna’ antwoordde Mirjam