Demasqué

 

1)

     ‘Ze weten het gewoon niet meer. Wat het verschil tussen de Eerste en Tweede Kamer is. Waar Enschede ligt. Wie koningin Wilhelmina was. De huidige middelbare scholier zal het antwoord schuldig blijven. Ze kunnen het opzoeken, zeggen ze. Op internet’. Het laatste werd met nauw verholen walging uitgesproken door de gezette oudere man die luid zat te betogen tegenover een instemmend gehoor van enige heren bij hem aan het tafeltje. Allen zo te zien rond de pensioengerechtigde leeftijd. Hij keek afwachtend rond om het effect van zijn woorden te schatten en nam een slok van zijn bier. Het schuim bleef hangen in zijn snor, die hem wat op een walrus deed lijken.
Het café was bijna leeg. In een hoek stonden twee jongens van een jaar of achttien munten in een fruitautomaat te gooien. Aan de bar zaten een man en een vrouw zwijgend naast elkaar. De caféhouder ging plichtmatig met een doek over de tapkast, zoals hij dat tien minuten daarvoor ook al gedaan had.
     ‘Het is ze allemaal te gemakkelijk gemaakt’. Het was een man met een scherpe neus in een geblokte spencer, die instemmend knikte bij zijn woorden. ‘In onze tijd stelde een examen of een diploma nog wat voor. Ik heb moeten wérken voor mijn HBS-A-diploma. Maar dan had je ook wat. Ik werd daarna op kantoor onmiddellijk aan de Duitse correspondentie gezet. Beheerste ik. Net zo gemakkelijk. Maar tegenwoordig goegelen ze zo’n brief bij elkaar. Als ze überhaupt nog Duits nodig hebben.’
     ‘Het zijn natuurlijk ook de ouders die het veel te gemakkelijk voor ze maken. Die kinderen komen thuis zo laat als ze willen, het weekend begint op donderdagavond, en dan wordt er ingenomen, niet te zuinig’ deed nummer drie een duit in het zakje terwijl hij zijn glas in een teug uitdronk en de kastelein wenkte om nog eens op te nemen.
     ‘Op de scholen wordt gewoon gedeald. Dat wordt gedoogd tegenwoordig met die coffeeshops’, zei de spencer.
     ‘Nou, als mijn jongen dat in zijn hersens gehaald had, dan had ik hem al zijn ribben gebroken’ wond de eerste spreker zich op. ‘Ik zat er bovenop heren, dat kan ik u verzekeren. Controleren! Controleren! Wat is het huiswerk voor morgen. Laat maar zien die agenda. Op die manier kan je ze wat meegeven. Per slot heb ik niet voor niets een degelijke middelbare schoolopleiding genoten indertijd. Een helpende hand bieden, overhoren. En duidelijke regels stellen. Door de week om tien uur, half elf later, naar bed. Als het maar duidelijk is wie de baas is.’ Hij keek om zich heen en schoof zijn stoel wat naar achteren om de bestelde bieren op tafel te laten plaatsen. Zijn buik bolde onder zijn okerkleurig colbertje met grote rode ruiten.  
     ‘Regels stellen. Dat dacht ik ook. Draai om zijn oren, als het zo uitkwam. Maar op hun zeventiende waren die van mij wel mooi gevlogen. ‘Bekijk het Pa’. Eerst een half jaar spijbelen, dan van school af getrapt. De ene zwerft van het ene kraakpand naar het andere en de ander zit al jaren in de WW.’ Somber zette spencer het glas aan zijn mond. Achter in het café klonk het gerinkel van een winnende fruitcombinatie.
     ‘Dat heb ik bij de mijne nooit laten gebeuren. Dat heb ik hem wel ingepeperd. Zonder papiertje ben je niks in deze wereld, afmaken wat je begonnen bent. Hoe had ik anders mijn huidige positie in het bankwezen verworven? Ja, hij kwam op zijn vijftiende ook wel aanzetten dat hij door de week wilde uitgaan, maar daar moet je bij mij gewoon niet mee aankomen, weetje. Het gaat er om dat ze voelen wie de baas is. Wie geen acht geeft op de vermaningen zijns leermeesters, hem tuchtig ik met de roede. De oude Cicero, mensen. Die wist het al.’ Door zijn hoornen bril keek hij zijn gespreksgenoten even indringend aan.
     ‘En hoe stelt hij het nu. Zal wel een hele student geworden zijn dan?’
     ‘Netjes de school afgemaakt. Kort verband vrijwilliger bij de mariniers geworden. Nog niet zo gek, leren ze discipline en ze zien wat van de wereld. Heeft nou een eigen zaak.  Had het laatst over een filiaal in IJburg.’
     ‘Wat je zegt. Maar die is dan wel mooi terecht gekomen. Wat voor zaak?’
     ‘Tja, iets met mobieltjes en alles wat daarbij komt kijken. Hou ik niet meer bij hoor, dat telecommunicatie gedoe. Samsung en wifi en blue tooth en hoe het allemaal mag heten. Maar ja, de mensen willen het en hij verdient goud geld’.

     De deur ging open en een heilssoldate schuifelde naar binnen. Door de open deur flikkerde het licht van een kapotte neonlamp in de hal. Het was blijkbaar gaan regenen, want de druppels zaten op haar kapje en mantel. Ze maakte haar rondje door het café en bleef afwachtend aan het tafeltje met de vier heren staan. De overigen zochten naar een portemonnee maar de vader van de geslaagde zoon maakte geen aanstalten. Ze nam de muntstukken in ontvangst en deelde haar Strijdkreet uit. Vragend hield ze hem haar krantje voor.
     ‘Juffrouw, waarom zou ik uw krantje aan moeten schaffen?’ opende hij zijn aanval.
     ‘Nou mijnheer, we doen er een hoop goed werk mee. Met het geld dat we zo ophalen, bedoel ik. We helpen onze medemens die de weg kwijt is, de zwervers, de prostituees, de thuislozen, de zwerfjongeren. Maar het is niet verplicht hoor.’
     ‘Nee, dat zou fraai worden. Maar juffrouw, hebben we daar onze overheid niet voor? Betaal ik daar geen belasting voor? Zouden die hoertjes en die zwervers niet eens beter moeten zorgen hun leven op orde te hebben dan mij daarmee lastig te vallen? Ik, juffrouw, ik heb mijn leven op orde. Ik doe geen beroep op de samenleving en lok niet allerlei charitatief gekwezel, sorry dat ik het zeg, uit. Ik, kortom, dop mijn eigen boontjes en zou het op prijs stellen als mijn medemensen dat ook deden.’ Hij spuugde de laatste woorden bijkans uit en de heilssoldate deed een stap terug.
     ‘Dus u wilt niets geven?’
     ‘Dat hebt u nou eens helemaal precies goed begrepen!’
Met de heilssoldate verlieten ook twee van zijn tafelgenoten de tafel. Vragend keek hij spencer die was blijven zitten aan.
     ‘Roken’, zei hij kortweg. ‘Als je het hebt over veranderende tijden. Ik zou vijf jaar geleden meegegaan zijn, maar na die bypass ben ik maar gestopt. En nu breek ik maar eens op, want de vrouw wacht met het eten. Ik mag blij zijn dat ze me nog te eten geeft, want sinds de jongens weg zijn, kijkt ze mij erop aan dat ik ze niet beter in de hand heb gehouden. Ik was nu eenmaal niet zo’n sergeant majoor als jij blijkbaar. En ik had geen deftige spreuken achter de hand. Saluut’.
Hij trok zijn leren jack aan en liep het café uit.

     De man in het geruite jasje wachtte niet tot de rokers terugkwamen maar liep naar de tapkast. ‘Twee pils’ zei hij, en legde een biljet van 5 euro neer. ‘Laat de rest maar zitten’ Hij trok een regenjas aan en liep het café uit.
     ‘Mijnheer de Bruin’, kwam de kastelein achter hem aan, ‘… mijnheer de Bruin, uw hoed, u vergeet uw hoed’. Hij hield een groen jagershoedje, met een veertje, als een gift voor zich uitgestrekt. De Bruin bleef in de deuropening staan.
     ‘ja, ja, mijn hoed. Natuurlijk. Bedankt’.

     Ietwat verstrooid nam hij zijn hoed aan en zette hem op. Het motregende inderdaad. De lucht was grijs, een achtergrond waartegen nog iets grijzere wolkjes werden voortgejaagd, meer een trilling in de lucht suggererend dan dat er sprake was van zichtbare patronen. Het was eigenlijk geen weer, meer een atmosfeer met een hoge luchtvochtigheidsgraad. Het natte asfalt glinsterde in het licht van de lantaarns.
      Voor een felverlichte etalage bleef hij staan, naast twee jongetjes die hun neus platdrukten tegen de ruit. Achter het raam doemde een berglandschap op, waardoor miniatuurtreintjes hun rondjes trokken. Op de voorgrond een stationnetje met twee perrons, waar de treintjes, wanneer ze er passeerden, keurig een minuut stopten. Verspreid door het landschap de modelbouwhuisjes, weiden met koeien, een kerkje op de top van een heuvel. Alles verlicht, wat de etalage op deze novemberavond een feestelijk uiterlijk gaf.
     ‘Kijk’, wees hij de jongentjes, ‘dat treinstel dat daar nu de tunnel in gaat is een originele hondenkop. Tot twintig jaar geleden reden die nog in de Achterhoek, tussen Zutphen en Ruurlo, en in Oost Groningen op de Roodeschoollijn.’
     ‘Dat is een hele dure, hè mijnheer?’ wees de langste van de twee op een zware locomotief die een hele rij goederenwagons, beladen met boomstammen, trok.
     ‘Jazeker, de ‘krokodil’ van de Zwitserse spoorwegen. Was al het pronkstuk van het Märklin assortiment, toen ik klein was. Ik spaarde ervoor, maar heb hem nooit kunnen krijgen’.
     ‘Hebt u dan een elektrische trein, mijnheer?’. Ongelovig keken ze naar de grote dikke man met de walrussnor en een raar hoedje met een veer op.
     ‘Ja, ja. Ik ben altijd door blijven sparen. Moeten jullie ook maar goed doen’. En hij vervolgde zijn weg. Op het Stadhuisplein hield hij even zijn pas in en keek zoekend rond. Toen stak hij het plein schuin over en ging de daar uitkomende straat in. Na 50 meter bleef hij staan voor een spaarzaam verlichte etalage van een café, waarvan de lucht diens geestverruimende missie al aankondigde. Hij keek schichtig naar links en rechts voordat hij de deur openduwde en in een halfduistere ruimte terecht kwam.

     De ruimte was rond. Aan het einde ontwaarde hij een halfronde bar annex toonbank waarop in keurige bakjes de rode en gele Libanon, Afghaan, Spoetnik, Skunk en Polm, zo vermeldde het kleurige affiche, uitgestald lagen. Grote, lage ronde tafels, omringd door met kleurige kussens bedekte loungebanken, vulden de ruimte voor de bar. Ook de etalage en de vensterbanken met sanseveria’s waren rond uitgesneden. Her en der lagen bezoekers relaxed in het pluche. Hij keek ongemakkelijk om zich heen, zoekend naar een bekend gezicht. Toen dat niet opdaagde, wendde hij zich tot de jongen achter de bar. Bijna kaalgeschoren kop, wat zijn enigszins uitstekende jukbeenderen accentueerde, en een extreem grote knop, het leek wel een ouderwets garenklosje, in zijn linker oorlel.
     ‘Komt Jan-Willem nog, vanavond?’ De jongen keek hem vragend aan. ‘Jan-Willem?’
     ‘Jan-Willem de Bruin. Meestal is hij hier aan het eind van de middag te vinden.’
     ‘Oh, Jan-Wìllem. Niet gezien de laatste tijd. Houdt zich gedeisd.’
     ‘Houdt zich gedeisd?’
     ‘Laten we het op een zakelijk meningsverschil houden, ouwe. Misschien is het beter als we elkaar helemaal niet gesproken hebben. Tot ziens ouwe.’
     ‘… maar hoezo?...’
     ‘Tot ziens, ouwe.’ De jongen stond met veel aandacht het kasregister te bestuderen.

     De Bruin liep weer naar buiten en bleef op de hoek staan. Daar  haalde hij zijn mobieltje uit zijn zak en toetste een nummer in. Hij luisterde even, keek naar het schermpje, hield de telefoon nog eens aan zijn oren, vloekte toen hartgrondig. Vervolgens toetste hij opnieuw een nummer in. Meer succesvol, ditmaal.
     ‘Dag Nico.  Met de Bruin. …..De vader van Jan-Willem de Bruin. ….. Ja, zeker een tijd geleden…… Zeven jaar zeg je, ja de tijd vliegt jongen. …………Zeg, ik begreep dat jij Jan-Willem nog ziet ….. O ja, ach, daar hoor ik van op. ……. Maar ik heb een wat malle vraag, ik ben mijn portefeuille vergeten en kan maar niet op Jan-Willem zijn adres komen. Ik zou wat bij hem afgeven, ik dacht, misschien kan jij….. Nee, dat spreekt. En iemand anders die wel…… Ach natuurlijk, dat had ik zelf kunnen bedenken. En ken jij dát adres?  …… Oh, dat is daar achter het Stadhuisplein. Prima. Nico, het beste he, jongen, eh, we moeten maar weer eens….’ Nico had blijkbaar opgehangen.
Hij begon met snelle pas terug naar het plein te lopen. Daar aangekomen koos hij nu een smal steegje met ongelijke kinderkopjes. Het was nu helemaal donker geworden en de verlichting was spaarzaam. In zijn haast verzwikte hij zijn voet in een kuil en viel bijna. Binnensmonds vloekend strompelde hij verder en kon nog net een bestelwagen vermijden. De steeg werd gerenoveerd, veel panden waren dichtgetimmerd, elders waren grote open plekken waar auto’s slordig geparkeerd stonden. Hij speurde naar huisnummers maar die waren schaars. Na 150 meter vond hij het gezochte pand. In een donker trappenhuis leidde een granieten trap naar een viertal deuren op de eerste verdieping. Het licht van zijn aansteker onthulde een houten schildje waarop met viltstift geschreven namen uitnodigden tot één-, twee-, drie- en viermaal bellen. Op goed geluk koos hij voor driemaal. Werd hij tenminste gehoord. Na een minuut wachten beproefde hij zijn geluk op tweemaal bellen. Dit leidde tot een gestommel op de trap. Een meisje met een bleek gezicht, zwart haar, in het zwart gekleed deed open. Vanuit het trapgat klonk een luid dreunende bas.
     ‘Ja?’
     ‘Woont u hier?’
     ‘Wat heb je daarmee te maken?’ Ze maakte aanstalten de deur dicht te gooien, maar hij deed een stap naar voren. ‘Het is misschien een rare vraag, maar ik zoek het telefoonnummer van de huiseigenaar, dat moet ene Jan-Willem de Bruin zijn. Ik weet dat hij de eigenaar van dit pand is, en ik heb een akkefietje, ik bedoel, hij zou misschien een kamer te huur… , in ieder geval, ik moet hem spreken’.  Ze hoorde hem aan terwijl haar kaken langzaam op en neer maalden. Toen hij uitgesproken was, ontsnapte een roze kauwgomballon aan haar lippen; hij trilde even en knapte toen.
     ‘Zeg hem maar dat hij eens iets aan de afvoer in de keuken moet doen. En de toilet spoelt ook niet meer goed door. Lekkere huisbaas, wel centen vangen, maar service, ho maar.’ Ze had een lage, omfloerste stem.
     ‘Die boodschap kan ik alleen overbrengen wanneer u me zijn telefoonnummer kunt verschaffen, jongedame. Daarom wend ik me tot u.’ Traag kauwend, een koe in de wei, keek ze hem aan.
     ‘Ken ik je niet ergens van? Kom jij zaterdagsavonds niet in Barbarella? Met dat scharminkeltje in die minirok. Zou je kleindochter kunnen zijn.’ Het was gelukkig donker.
     ‘Geen idee waar je het over hebt. Ik breng de zaterdagavond in familiekring door. Nogmaals, kunt u me dat telefoonnummer geven?’
Dan wendde ze zich af en riep in het trapgat naar boven: ‘Wesley, …. , hee, Wes, heb je het telefoonnummer van de huisbaas ergens liggen?’
     ‘ I … ij..  e…eje… oo’  ving hij op boven het gedreun uit.
     ‘WAT?’ gilde ze nu
     ‘Ligt bij de telefoon’ riep een naar beneden gestommelde jongen in een zwarte hoodie. ‘En zeg die kutkever nog maar eens dat de plee nog niet doorspoelt.’
     ‘Dat is dan…’, floep, daar was weer een ballonnetje, maar kleiner ditmaal, ‘ …06 35 48 92 52. Got it mister?’
     ‘Nou, bedankt dan maar he.’ Hij haastte zich de trap weer af, en spoedde zich terug naar het Stadhuisplein. Hij zocht een beschutte plek onder de parasols voor een café, waar de warmte van straalkachels in zijn nek voelbaar was. Hij stond wel ernstig in de rook van de samengedromde groep verslaafden, maar het was in ieder geval warm. Hij toetste de zojuist verkregen cijfers in en luisterde.
     ‘Dag Jan-Willem, met je vader. Zijn er problemen Jan-Willem?’
     ‘……’
     ‘Hoezo, hoezo, bij Woodstick kan je je niet meer vertonen, dat huis van je staat op instorten en je hebt je telefoonnummer veranderd. We moeten praten jongen. Ik heb je hier altijd al voor gewaarschuwd. Maar jij wist het altijd beter. Je hoefde geen school af te maken, jij zou het zo wel rooien. Je bent een mislukkeling, jongen. …’
     ‘ ……’
     ‘Nee, nee, we moeten praten. Kom naar de stad.’
     ‘ ……’

2)

     ‘Heb je je jasje binnenste buiten aan?’
     ‘Is mode Pa. Naden aan de buitenkant’.
     ‘Mm. Debiele gewoonte. Alsof je je net hebt ingevochten in de kroeg. Hoe gaat het nu? ‘
     ‘Zo zijn gangetje’
     ‘Hoe staan je zaken, Jan-Willem?’
     ‘Welke bedoel je?’.
     ‘Je handelsonderneming. Hou je je met illegale praktijken bezig?
     ‘Hoe kom je daarbij?’ Jan-Willem de Bruin keek naar de grond. Om zich heen kijkend was hij binnen komen slenteren in de stationsrestauratie. Zwart wollen jasje over een felgekleurd T-shirt, een rode das losjes rond zijn nek geslagen, groene gympen en aanzienlijk slanker dan zijn vader, nee, ongezond mager. Een baard van een week versterkte die laatste indruk.
     ‘Nou, dat zal ik je vertellen. Ik zocht je eerst bij Woodstick, en het leek er sterk op dat je op zijn minst gezegd daar persona non grata bent. Je had het de laatste keer over die prachtige handel, met die verdovende middelen zal ik maar zeggen, en dat dat tegenwoordig eigenlijk wel legaal was, maar ze gaven me bij Woodstick eerder de indruk dat je je voor die lui verborgen houdt. Je hield je “gedeisd’ zeiden ze. Het klonk nogal onderwereldachtig.’ De Bruins' gezicht was vuurrood en het veertje op zijn hoed – hij had zijn hoed nog steeds op – trilde mee met het knikken van zijn hoofd, waarmee hij zijn woorden kracht bij zette.
     ‘Wie zei dat ik me gedeisd hield?’
     ‘Zo’n knul met een garenklosje in zijn oor. Kaal. Kijk Jan-Willem, toen je vroegtijdig je middelbare school beëindigde om door Europa te gaan liften, heb ik je genoeg gewaarschuwd. Zonder papieren red je het niet. Maar jij moest eigenwijs wezen. Ik dacht ongelijk te hebben, toen ik, die paar keer dat ik je tegenkwam, meende te constateren dat je jezelf een maatschappelijke positie verworven had. Je stond financieel op eigen benen, hoewel ik nooit precies begreep waar je de pecunia vandaan haalde. Handel, zo noemde jij het en ik geloofde je. Maar ik heb me schandelijk in je vergist.’ Het veertje knikte ter bevestiging.
     ‘Ach pa, de soep wordt niet zo heet gegeten als ie wordt opgediend. Klopt, ik heb wat bonje met die Jan-Willem gehad, maar dat draait wel weer bij’
     ‘En dat pand van je, het leek wel een kraakpand. Zo ga je toch niet met je beleggingen om!’
     ‘Die mensen zijn ook een beetje zeikerds hoor. Ik ben al weken bezig een loodgieter er op af te sturen. Maar je weet het, een goeie vakman is nauwelijks te krijgen, vandaag de dag. Maar dat komt allemaal best voor elkaar ouwe. Maak je nu maar niet te sappel. Maar waarom heb je me eigenlijk opgetrommeld?’
Zijn vader leek wat gerustgesteld door zijn woorden. Hij plaatste zijn ellebogen op tafel en steunde zijn hoofd met zijn handen. Hij zijn zoon indringend aan en zei: ‘ Het zijn ten slotte mijn zaken niet, maar ik zie je jezelf niet graag ten gronde richten. Wij, je moeder en ik hebben kosten noch moeite gespaard om je in deze maatschappij goed op weg te helpen. We hebben met lede ogen aangezien dat je in deze een andere weg koos dan wij voor ogen hadden, maar we hebben dat zo gelaten. Graag hadden we een minder materialistische levenswandel gezien, maar goed, dit zakenleven, dat was jouw keuze en we……
     ‘Het kwam je ook wel uit, toen je die vier rooie ruggen van me moest lenen’
     ‘Die heb je toch terug. Nogmaals, dit zakenleven is je eigen keuze en die moeten we respecteren, maar Jan-Willem, ik kom zo langzamerhand tot de conclusie dat je jezelf met duistere zaakjes bezighoudt. Dat je je in, eh, laten we zeggen, criminele kringen ophoudt. En dat is intolerabel. Dat neem ik niet.’ De Bruin wond zich gaandeweg opnieuw op. Het veertje trilde nu voortdurend en zijn snor trilde mee. ‘Je stelt me gewoon ernstig teleur, jongen. We deden je op de beste scholen, waar je een voor een van verwijderd bent. Dure vioolles, weggegooid geld. Je versmaadde je theaterabonnement en ging liever naar popconcerten.’
     ‘Die heb ik niet terug.’
     ‘Ik gireerde twee weken geleden.’ Ineens werd hij timide.
     ‘Vijf meier, ja. En die smoes van je dat je dat geld voor een zeldzaam locomotiefje nodig had wil er bij mij ook niet in. Zagen ze je laatst niet bij die louche bookmakers in de Halvemaansteeg schuifelen? Katjes in het donker knijpen, hè ouwe? En jij maar preken over de grote waarden in het leven.’
     ‘Dat wedden, dat was eenmalig. Gaat helemaal niet om groot geld. Op de zaak had ik een goede tip gekregen’
     ‘Zo, is dat het gesprek van de dag bij de heren conciërges?’
     ‘Het was een verrot slechte tip’
     ‘Vandaar dat je me nodig hebt. Ik had al niet verwacht dat je terug ging betalen’
     ‘Dat komt, Jan-Willem, dat komt. En misschien overdreef ik daarnet een beetje, maar je kan me toch niet kwalijk nemen dat ik me zorgen maak wanneer zo’n louche type zo geheimzinnig doet en, ja, eigenlijk gewoon dreigementen aan jouw adres uit. Dat gaat me aan het hart jongen en het is alleen maar bezorgdheid dat ik een beetje te keer ga. Bezorgdheid, jongen, dat is het’
     ‘Ik denk dat ik beter op mezelf kan passen dan jij je hele leven gedaan hebt.’
     ‘Misschien heb je wel gelijk. Weet je, ik had wat kleine beleggingen. Aandeeltje Fortis, aandeeltje Albert Heijn. En de tijden zijn roerig.’
     ‘Dan wacht je toch gewoon tot ze weer rustig worden’
     ‘Jongen, het was geleend geld’
     ‘Nee, pa, je wilde short gaan? Godallemachtig wat een sukkel. En nou?’
     ‘Nou kijk, ik dacht dus met zo’n slimme weddenschap, …..’
     ‘En dat durft iets over mislukte opvoeding, grote waarden in het leven, op eigen benen staan, godkelere nog an toe, elk moralistisch cliché dat er bestaat heb je wel uit je bek kunnen krijgen, dat heeft dus zijn hele leven lopen raaskallen hoe het moet en hoe het vooral niet mag en trapt zelf met open ogen in de meest voor de hand liggende valkuil. Tjonge, jonge….’
Er was weinig over van het aplomb waarmee de heer de Bruin  de stationsrestauratie een kwartier geleden was betreden. Als een geslagen hond liet hij de stroom van verwijten en schimpscheuten over zich heen komen. Zwijgend zat hij met zijn hoofd tussen zijn handen en staarde naar de tafel.     ‘Koffie dan maar?’. Nog steeds hoofdschuddend nam de zoon het heft maar in handen.
     ‘Ik dacht echt dat het allemaal goed zou komen.’
     ‘Wel melk en geen suiker, zo was het toch?’. Hij liep naar het buffet, zette de gewenste spullen op een blad en sloot aan in de rij bij de kassa. Het spitsuur was nu over en in de stationsrestauratie waren maar een paar tafeltjes bezet. Personeel maakte aanstalten om te gaan opruimen; het grote neonlicht was al aan en legde de hele ruimte in een veel te schel schijnsel.
     ‘En hoe is het met ma?’ Daar was hij weer met de koffie.
     ‘Zoals altijd. Zijn gewone gangetje. Ze mist je.’
     ‘Hm. Ligt niet aan mij dacht ik.’
     ‘Dat ze je mist?’
     ‘Nee, dat ik geen voet meer over de drempel zet, sinds me te verstaan is gegeven dat ik mijn gezicht niet meer hoefde te vertonen’
     ‘Ach, een mens zegt wel eens wat, vergist zich misschien. En daarenboven, er was wel reden…..’
     ‘Gaan we zwartepieten? Ik denk dat ik maar weer eens op moet stappen….’
     ‘Nee! Blijf!’ Was het een bevel of een smeekbede? ‘Sorry, sorry. Ik bedoel alleen, we hoeven toch het verleden niet steeds op te blijven rakelen. We hebben het toch ook aardig gehad met elkaar?’ Een schamper lachje plooide zich om de mond van de zoon.
     ‘Opgroeien in een bejaardenhuis. Of erger, in een herensociëteit. Met zijn drieën rummikub spelen als toppunt van vertier op de zaterdagavond. Zondagmiddag stil zijn omdat vader naar GBJ Hilterman luistert. In de zomer twee weken naar Bakkum. Ja, we hadden het wel aardig met elkaar.’
     ‘We deden ons best. Misschien had je wat anders gewild, maar we waren er wel voor je. Maar jij vond dat je ons niet nodig had.’
Met een harde klap zette de zoon zijn koffie op tafel en morste de helft.
     ‘Over nodig hebben gesproken. Herinner jij je de zomer van ’95 nog? Het was grote vakantie, ik was vijftien en ik had een baantje. Ik wilde geld verdienen voor een stereosetje. Ik vulde vakken bij de supermarkt om de hoek. Dat was toen nog Edah, is later een Albert Heijn geworden. Ik had het stiekem geregeld, want jij vond dat maar niets. Ik had een herexamen voor wiskunde dat jaar, en daar moest ik mijn energie maar in steken, vond jij. Je kwam er natuurlijk snel achter en na een week moest ik mijn baantje opzeggen. Niet onmiddellijk, toen je het ontdekt had, want dat zou niet correct wezen. Maar mét mijn eerste salaris moest ik nokken. Toen had ík wat extra’s nodig maar ik mocht het geeneens zelf verdienen….. '
     ‘maar …. '
     ‘nee, hou maar op, het was NIET voor mijn eigen bestwil. Ik had godverdomme een stereotoren nodig voor mijn bestwil. En om deze motivatie even vast te houden, vader, in hoeverre is mijn support voor jou wel om jouw bestwil? Ik zei je al dat ik geen mieter geloofde van die treintjes, en nu moet ik je speculatieverhaaltjes voor zoete koek aannemen? Ik geloof er eerlijk gezegd geen bal van  ….  '  
     ‘Maar…'
     ‘En nu heb jij mij nodig.’ Het klonk niet eens sarcastisch, louter constaterend. ‘Ik was wel verbaasd afgelopen zomer toen ik je aan de telefoon kreeg. Dat mag je best weten. ‘Waag het niet je ooit nog eens in dit huis te vertonen’, dat waren je laatste woorden tien jaar daarvoor, toen je na enig duw en trekwerk de deur achter me dichtgooide. Er zal wel iets met moeder zijn, dacht ik toen. Maar nee, je was in enen geïnteresseerd in mijn zaken. Na een minuut of wat kwam de aap uit de mouw. Pa zat op zwart zaad. Had treintjes gekocht en kon de afbetaling niet meer rond krijgen. Of ik maar bij wilde springen.'
     ‘En ik kan je niet zeggen hoe fideel ik het van je vond, dat je me wilde lenen.’
     ‘Weet je, ik was eigenlijk wel blij. Ik voelde het als een soort erkenning, met terugwerkende kracht, zal ik maar zeggen’. Hij nam nadenkend een slok van zijn koffie. ‘’t is een kwestie van geduld, rustig wachten op de dag dat ….’
     ‘je vader met hangende pootjes terugkomt, bedoel je’
     ‘Zoiets. Maar je hebt me blijkbaar weer nodig. Nog meer treinen gekocht?’
     ‘Nee dat niet. Maar ik heb nog wat extra nodig om schoon schip te kunnen maken. Met nog eens twee mille zou je me vreselijk uit de brand helpen. Ik besef dat je het niet aan me verplicht bent, ik verdien het misschien niet, maar je zou de inzet, OK, verkeerde inzet wellicht, die ik altijd voor je aan de dag heb gelegd, in overweging kunnen nemen bij je beslissing.’
      ‘Pa, ik ben de beroerdste niet. Je hebt me weinig meegegeven om dankbaar voor te zijn en je zal het ook nooit begrijpen, maar los daarvan, ik héb het eenvoudig niet. Je hebt het gezien vanavond. De weedhandel ligt op zijn gat, de vastgoedsector rebelleert en zal voorlopig niet kostendekkend zijn. En dan heb ik ook nog een dubieuze debiteur waar ik nog dertig meier van krijg. Dus zelfs al zou ik het willen, ik heb het gewoon niet.’ Met een grote teug dronk hij zijn koffie op, lepelde de geklopte melk eruit en besloot: ‘en dus moesten we maar eens opbreken. Ajuus Pa.’

     De vader was nu als enige klant overgebleven in de stationsrestauratie. Met voorovergebogen hoofd, dat steunde op zijn handen bestudeerde hij de houtnerf in het tafeltje. Het meisje dat achter de kassa had gezeten, begon stoelen op tafels te plaatsen. Haar collega kwam van uit de keuken met een emmer en schrobber en begon met lange halen de vloer te doen. Het tafeltje waaraan hij zat werd een eiland in een oceaan van gesopte vloer. Hij was duidelijk dat zijn vertrek dringend gewenst was. Maar hij bleef zitten.
De deur van de restauratie werd opengeworpen en een groep meisjes dromde binnen.
     ‘Liza, Monique, hoe lang nog’
     ‘Met een kwartiertje ben ik klaar. U moet nu echt gaan mijnheer.’ Dat was tot hem gericht. De meisjes, zo te zien winkelpersoneel uit de stationstraverse, zwermden uit over de verlaten ruimte.  Het kleinste meisje, bijna een kind nog, met krullend haar en minirokje van spijkerstof stond naar het tafeltje te staren.
     ‘Hé, Bruintje Beer!’  Als door een wesp gestoken, keek hij op. Hij greep zijn jas en liep in een rechte lijn naar de deur. De emmer met sop zag hij over het hoofd en half struikelend en glijdend kon hij zich nog net aan de deurklink vastgrijpen.
     ‘Ja, dat is em,’ hoorde hij het kleinste meisje tegen de andere zeggen. ‘Heeft poen zat. Bankdirecteur of zo. Scharrelt op zaterdagavond bij Barbarella rond om een grietje op te pikken. Houd je de hele avond vrij en leuke cadeautjes plenty. Kijk, deze ring met die steentjes. Bruintje beer, zal ik je aan mijn vriendinnen voorstellen’ riep ze hem toe. Gesmoord giechelend staarden ze hem aan.
     ‘Een triootje voor de prijs van één’ proestte er eentje. Eindelijk kreeg hij die deur open. Hij wankelde naar buiten en zette het op een lopen. Achter hem, door de geopende deur van het stationsbuffet scandeerden ze met zijn allen:
     ‘Hé Bruintje Beer
     Ken je me niet meer
     Of doen we het samen
     Toch nog maar een keer?’