Groetjes van Kintyre

 

     Ze stond als aan de grond genageld. Het was hem. Onmiskenbaar met dat rode plakhaar. Hoe kwam hij hier? Wat was hij van plan? Waar kon ze heen?

     De afgelopen twintig minuten had Sietske het steile pad naar boven naar de klif gevolgd, van alle kanten omzoomd door bramenstruiken. Deze wandeling was de afgelopen vier dagen haar vaste routine vóór het ontbijt geworden. Titia was een langslaper en Sietske wachtte haar ontwaken niet af. Zo’n rondje naar de klif en bovenlangs weer terug was een prima manier om verkwikt en met bezonken ochtendhumeur aan het ontbijt te verschijnen. Als ze thuiskwam was Titia zo ver te dat ze in een hip trainingspak thee had gezet en eieren had gebakken. Sietske was dol op een goed ontbijt.
Het hele rondje nam ongeveer anderhalf uur in beslag. Het was een goed rondje, vond ze. Eerst langs het schapenpad dat eindigde op een heideveldje met een vennetje. Er stond veenpluis en lis. Boven het water zoemden libelles en gisteren zat er een paapje te schetteren op een berk. In al die dagen was ze nog geen mens tegengekomen. Vandaar klom je via het holle weggetje naar de top van de klif. De bramen waren nog niet rijp, maar tussendoor had je de frambozen voor het grijpen. Het overgroeide paadje was als een pijpleiding, die de wandelaar, eenmaal bovengekomen, schijnbaar uitspuwde in de oceaan, die plotsklaps 70 meter lager zijn golven tegen de rotsen sloeg. Slechts een grasstrook van zo’n tien meter breedte scheidde het eind van het pad van een vrije val naar beneden. Sietske had veel te veel hoogtevrees om de uiterste punt al verkend te hebben. Ze sloeg altijd meteen linksaf en bleef op de rotsen op het pad, dat twee kilometer lang de klif volgde om dan geleidelijk weer te dalen en uit te komen achter in de ponywei

     Het eerste uur van haar wandeling was bestemd om te ontwaken en weer in het reine te komen met het leven. Sietske had de neiging om diep depressief wakker te worden en ze had een uitgesproken gave om zich de meest slechte uitkomsten, hoe onwaarschijnlijk ook, levendig voor te stellen. Zo kon ze zich tot in detail vermeien in de consequenties van het missen van een trein (en dus van de aansluiting, resulterend in een aankomst bij de gate, precies twee minuten nadat het vliegtuig was opgestegen, hetgeen weer zou leiden tot een verwoeste vakantie respectievelijk gemiste zakenafspraak met funeste consequenties voor beursnotering en carrière) en was ze zich tijdens het wakker worden pijnlijk bewust van alle recente mislukkingen in haar leven, groot en klein (hoe stelde Mark het met zijn nieuwe vlam, was het al uit of, ultieme griezelgedachte, gingen ze samen op dansles? Zou de slag in haar achterwiel, opgelopen in de afdaling van die laatste 16% helling hier in Kintyre, niet tot spaakbreuk gaan leiden? Wat nu als die blessure van Titia niet met enige rust overging, en ze over twee dagen niet in staat was verder te fietsen? Het dichtstbijzijnde station was Oban, en dat was nog zeker twee dagen te gaan). Tal van heikele punten die een goede reden waren om in bed te blijven liggen en te wachten tot de tijd alle wonden heelde. De kunst was dan om, in de hoop dat de werkelijkheid niet zo erg zou zijn als de stoutste fantasie, gewoon te doen alsof er niets aan de hand was, routinematig enige reinigende handelingen (douche, tien keer rekken en strekken, tandenpoetsen) te verrichten en op stap te gaan. Dat deed ze dus nu al vier ochtenden achtereen. 

     Het was goed om een paar dagen rust te houden in dat huisje. Die tocht met Titia was toch wel als een snelle escape gekomen. Ruim een maand geleden stond Sietske jankend bij haar op de stoep. Mark had haar gedumpt voor een of andere drama Queen, zal wel grotere tieten gehad hebben, wist zij veel, ze had haar nooit gezien, en in zulke situaties kwam ze altijd bij haar oude jeugdvriendin uit. Waarom die vriendschap de jaren trotseerde was haar een raadsel. Al sinds hun twaalfde waren Titia’s en haar wegen gescheiden. Kak en alto, meisjeslyceum en Montessori, hockey (alleen vanwege de feestjes) tegenover wildwatervaren, klettern en mountainbiken, Marco Borsato in de Arena versus Lowlands of Werchter.  Maar bij ieder major life event, en met name Titia had wat major life events op haar palmares, wisten ze elkaar feilloos te vinden. Zo ook na de dump door Mark
     '...en we zouden nog wel naar de Hebriden gaan.’ snifde ze. ‘Op de fie-iets’.
     ‘ Wijffie, dan gaan wij toch samen?’
Ietwat verwilderd had ze Titia aangekeken.
     ‘Jij? Op de fiets naar Schotland?’. Bij haar weten placht Titia zich voornamelijk door de lucht naar zonrijke stranden te laten verplaatsen. Met een georganiseerde groepsreis.
     'Ik zit tegenwoordig op de sportschool. Krav Maga, best intensief. Ik kan toch nog trainen. By the way, weet je ergens een fiets te leen? En, waar moeten we ook al weer naar toe?’
     ‘Het idee was de Schotse Westkust, maar dat zal er wel niet inzitten. En ik heb verdomme de tickets voor de boot al’, zuchtte Sietske.
     ‘Wanneer vertrekken we?’. Titia was wel een tutje maar kon verrekte doortastend zijn. Toen het lenen van een fiets bij de zus van de zwager van een collega na drie dagen nog niet gelukt was, liet ze zich bij een gerenommeerd rijwielhuis in de stad een gloednieuwe Giant aanmeten, compleet met alle nodige accessoires. De twee en een halve week die haar nog restten trainde ze dagelijks met rondjes rond het Kopje van Bloemendaal. Toen zaten ze op de boot.

     Misschien waren ze te fanatiek geweest. Ze hadden vanaf Newcastle acht dagen aan een stuk vijftig á zestig mijl per dag afgelegd. Overdag fietsend, tussendoor Romeinse opgravingen, kerkjes met nog authentieke Saksische elementen en Zeer Engelse Tearooms bezoekend, en ’s avonds in de Pub. De onbetrouwbaarheid van het mannelijk geslacht werd avond aan avond breed uitgemeten en Sietske voelde zich zienderogen opknappen van haar Grote Verdriet.
Op die manier hadden ze het schiereiland Kintyre bereikt. Kintyre, berucht om zijn verraderlijke stromingen die menig schip tot zinken hadden gebracht bij hun poging om het schiereiland te ronden. De hellingen van Kintyre mochten er ook wezen. De weg om het schiereiland was als een achtbaan, om de tien kilometer met 12 procent of meer naar beneden en weer naar boven, om een volgend rottig beekje de kans te geven in zee uit te monden. Zolang je boven fietste waren de uitzichten wel formidabel. Je reed als het waren over de klippen, zo’n honderd meter onder je klotste de Atlantische Oceaan tegen de rots. Op sommige punten konden ze elkaar naast elkaar rijdend nauwelijks verstaan vanwege het gekrijs van de drieteenmeeuwen, de zeekoeten en de grote mantelmeeuwen die met duizenden nestelden in de steil naar beneden aflopende rotsen. De vogels vlogen dus onder hen. Feitelijk fietsen ze over de top van Bijlmerflats, nee hoger, van wolkenkrabbers in Manhattan waarbij bankiers en beurshandelaren vervangen waren door gevogelte. Het imponeergedrag was identiek: gekrijs en duikvluchten als je te dicht op hun nesten kwam. En ook onderling voerden de vogels ware oorlogen uit. Op een gegeven moment had Titia keihard in de remmen geknepen en een gil geslaakt;
     ‘Jasses. Moet je die meeuw daar zien. ’Enige tientallen meters onder hen sleepte een grote mantelmeeuw een kuiken uit het nest, onderwijl aangevallen door veel kleiner uitgevallen drieteenmeeuwen, de klaarblijkelijke ouders.
     ‘Sietske. Stop dat, dat kan toch niet’. Titia had haar fiets tegen een rots gekwakt en bukte zich om een grote steen op te rapen
     ‘Tiets, laat ze. Is de natuur meid. Eten en gegeten worden’. Onwillig liet Titia haar hand zakken. Later kwam ze er op terug.
     ‘Als je er iets tegen kan doen, moet je die wreedheid toch niet zomaar onder je ogen laten gebeuren. Je moet toch ook optreden tegen mensen die hun kinderen mishandelen.
     ‘En die grote meeuw het voedsel uit de mond stoten?’ Daar had ze weinig tegen in te brengen. Maar ’s avonds was ze er weer over begonnen.
     ‘Zou jij het kunnen? Een beest doodmaken, omdat je anders geen eten hebt.’
     ‘mwah, lijkt me niet zo’n punt. Als het maar een beetje decent gebeurt.’
     ‘En een mens, zou je ook een mens dood kunnen maken?  Als je bedreigd wordt bijvoorbeeld?’ Titia had haar niet aangekeken. Ze wisten van elkaar wat ze bedoelden.
     ‘Ik zei het toch vanmiddag: het is eten of gegeten worden’. Ze voelden stilzwijgend aan dat ze het hierbij moesten laten.

     Die hellingen hadden Titia genekt. Ik doe het niet meer. Nog zo’n dag en ik ben dood. En ik heb volgens mij echt een spier in mijn bil gescheurd’.
     ‘Dan blijven we hier een paar dagen om weer op te knappen. Gisteren zag ik een cottage vlak buiten het dorp. ‘To let’, volgens het bord aan de weg.’ Het stond nog steeds “to let”. Voor 150 pond konden ze er een week blijven. Dat was vier dagen geleden.
Het waren rustige dagen. Sietske maakte haar dagelijkse ochtendwandeling en daarna ontbeten ze op hun gemak. Titia las voor uit de krant van gisteren.
     ‘We boffen hier met het weer. Op het vasteland is het overal een puinhoop. Kijk: hogedrukgebied boven Engeland en Ierland, lage druk bij Denemarken. Amsterdam, 14 graden, zwaar bewolkt en buien’.
     ‘Nog iets over die film van Wilders?’
     ‘Nop. Dit is toch wel het plaatselijke sufferdje hoor. Allemaal local. Moet je horen, wat een drama hier. Ergens in Noord-Schotland, een of ander kasteel op de top van de rotsen. Moeder en dochter maken een wandeling in de vroege ochtend. Ma blijkt letterlijk een dauwtrapper: begeeft zich op het keurig geschoren gazon, dat licht afloopt en ze glijdt gewoon weg. Geen enkel houvast, dat korte natte gras is spekglad; de dochter er achter aan om haar te grijpen, ze zijn alle twee zo van de rots af gegleden.’
     ‘Dood?’
     ‘De lijken zijn drie dagen later op een eiland verderop aangespoeld. Zoiets verzin je toch niet?’
Na het ontbijt was de keus niet zo gek groot: ze hadden leesvoer, ze hadden een, goddank dik, sudokuboek, ze hadden een stok kaarten en ze hadden de dagelijkse gang naar de grocery. Er was een TV in de cottage, maar die ontving alleen een zeer lokaal Schots station, waarin de commercials van voornoemde grocery en belangrijke rol speelde. Samen wandelen en fietsen zat er, gezien Titia’s blessure, niet in.
     Het was even slikken geweest. Samen in een huisje, de hele dag op elkaars lip, was anders dan samen op weg te zijn. Het was Sietske nooit zo opgevallen dat Titia zo’n kletstante was. En het ging meestal nergens over. En dat gezeur over al die gadgets van haar. Ze kon eindeloos spelen met haar horloge annex hoogtemeter annex honderdtachtig andere functies die Sietske allemaal worst mochten wezen. Titia van haar kant begon, naarmate ze langer op elkaars gezelschap aangewezen waren, steeds meer commentaar te geven op Sietskes pinnigheid, zoals ze het noemde. Sietske moest toegeven dat ze Titia een luxemadam vond, maar het was nooit in haar opgekomen om haar aangeboren soberheid op te vatten als gierigheid. Je moest gewoon geen onkosten maken, waar ze niet nodig waren. Bijvoorbeeld geen 180 functies op je horloge willen, en daar dus voor betalen, die je, gegeven je manier van leven, nooit nodig zou hebben. Ze vond het wel moeilijk om die mening gewoon voor zich te houden.  

     Maar los van deze kleine ergernissen waren de dagen rimpelloos voorbijgegaan. Tot nu dus, nu ze voor de vierde keer de top van de klip bereikte en verwachtte oog in oog met de Oceaan te staan. Staat ze daar vrijwel oog in oog met hem! Ze herkende hem onmiddellijk. Het plakkerige rode haar, omhooggehouden met een overkill aan gel. Het diamanten oorknopje in zijn oor. Het lichaam heeft ongeveer 640 spieren, en naar Sietskes gevoel spanden ze zich allemaal in die ene seconde. Haar mond werd zo droog dat ze niet eens kon gillen als ze het zou willen. En haar hersens sprongen op een automatische piloot en gingen de film afdraaien. Terug naar de eerste vakantiedag, de overtocht van IJmuiden naar Newcastle. Het is twee uur ’s nachts en daar stond hij voor haar. Een sproetenkop met rode krulletjes, ruim in het vet. Trainingspak en gouden kettinkje.  Zoveelste benedendek, eindeloos lange gang en geen hond te bekennen uiteraard. ’s Middags bij het inschepen hadden ze een akkefietje gehad. Titia’s fiets zou zijn rode Ford Escort bekrast hebben en mijnheer kwam op grove wijze reclameren. Of er maar even een paar honderd meier geschoven kon worden. Zij had hem verrot gescholden. Ze had zoveel heibel gemaakt dat een paar naderende stewards hem toen hadden doen afdruipen. Maar hij zat er blijkbaar 's avonds nog steeds mee.
     ‘Man, laat me door’ probeerde ze links, rechts langs hem in het smalle gangpad te gaan maar hij stapte rechts, links opzij.
     ‘Wat moet je nou man’.
     ‘Mot jij je bemoeien met andermans zaken, trut!’
     ‘Laat me erdoor. Ik ga gillen’. Een hand op haar mond. Een andere hand op haar borst. Ze probeerde te bijten. Ging niet. ‘Mark, help!’ ging door haar heen en dit confronteerde haar nog het meest met haar machteloosheid. ‘Mark is verleden tijd’ zei haar innerlijke stem. ‘Je zou het zelf doen’. ‘OK Mark, ik doe het zelf’ en ze stootte haar knie zo hard als ze kon naar voren. Vloekend wankelde het rode hoofd met de glibberige krulletjes naar achteren en greep naar zijn kruis. Hervatte zich onmiddellijk en haalde uit naar voren…. Sietske bukte en zag in een flits een gestrekt been onder een jurk uitkomen dat in een draai van 180 graden haar belager keihard in het gezicht raakte. Ze meende het gekraak van het neusbeen te horen… Handen grepen naar het gelaat en een gekreun mengde zich nu met het vloeken. Titia trok Sietske mee en snikkend, hyperventilerend bereikten ze de hut. 

     Hij stond ongeveer twintig meter van haar af. Rechts van het punt waar het pad uitkwam bij de top. Hij wist dat ze zou komen. Afwachtend, handen in de zakken. Pleister over een wenkbrauw. Neus inderdaad scheef. Hij moest hen al die tijd gevolgd zijn, schoot het door haar hoofd. Titia en zij hadden na de bewuste nacht nauwelijks meer over het incident gerept. Het had een grauwsluier over de eerste dagen van hun reis gelegd, die ze beiden onuitgesproken probeerden te verdrijven door het niet te benoemen. Bij de ontscheping hadden ze zich al geruime tijd van tevoren verdekt opgesteld bij de snel bepakte fietsen. Omdat ze vooraan stonden, hadden ze de boot als eerste kunnen verlaten en waren al een netwerk van fietspaden ingeslagen voor “krulmans” zoals ze hem gedoopt hadden hen had kunnen achterhalen. De hele eerste dag hadden ze bij het naderen van iedere auto schichtig over hun schouder gekeken of het soms een rode Ford Escort was en Sietske was zich de hele reis lang meer bewust geweest van automerken dan ooit tevoren. Een paar keer had ze in de verte een rode Ford-achtige van Escort formaat menen te zien en in Newton Stewart was ze er zelfs plotsklaps een zijstraat voor ingeslagen
     ‘Christ, Sietske, wat doe je nu ineens…! Ik lag bijna tegen de vlakte.’
     ‘Ik dacht dat hier die afslag al was. Ik zat een beetje te dromen’ had ze zich van den domme gehouden. Zou hij dat toen toch geweest zijn?
Later op de pont naar Arran had ze vanuit de verte nog een keer gedacht zijn rode haar in de verte in het cafetaria te zien. Toen ze voorzichtig poolshoogte ging nemen was er geen roodharige te bekennen. Een rode Ford Escort met Nederlands nummerbord was er zeker niet aan boord, die hadden ze moeten zien op dat overzichtelijke pontje. Maar hij kon natuurlijk in een huurauto rondrijden. Ze moest stoppen met zich zulke idiote ideeën in haar hoofd te halen. Altijd die worst case scenario’s in haar hoofd. Die nacht op Arran had ze weer nachtmerries gehad over Mark, die haar niet alleen bedroog met blonde sloeries, maar haar ook nog in elkaar sloeg, hetgeen op zijn zachtst gezegd weinig fair tegenover Mark geweest was.

     ‘Had je niet gedacht, huh? Bitch!! ‘k stond ook raar te kijken eergisteren, toen ik die andere trut in ‘r strakke pakkie in het dorp zag. Ik docht hier een hengeltje uit te gaan gooien, maar kreeg bijvangst, zogezeid. Toen docht ik, laat ik nog maar een paar dagen blijven hangen hiero. Kom ik die madam vanzelf weer tegen. En jawel…….’.Handen bleven in de zak. Zou hij een wapen hebben? Wat een haat en frustratie straalde er uit die ogen. Sietske had het gevoel in haar keel dat ze uit nachtmerries kende. Ze wilde gillen maar haar stembanden leken verlamd. ‘Weg hier, weg hier’ was het signaal dat haar op tilt geslagen hersenen als enige en voortdurend konden uitzenden. Terug het pad af? Binnen een paar tellen zou hij haar in de rug gelopen zijn. Blijven praten, zeiden ze het altijd.
     ‘Wat moet je nou? Je komt er niet mee weg, je naam is bekend’. Het klonk volkomen ridicuul. Het was een uitnodiging voor een finale afrekening, dan was er geen enkele naam bekend. Zelfs Titia zou, wanneer haar lijk gevonden werd, niet op deze krankzinnige mogelijkheid komen. < Jonge toerist die zo nodig alleen de klippen moest verkennen, vermoord! > Ze kon de koppen zelf verzinnen. Trouwens, gooi me van de klip af en de moord is al een fataal ongeluk. Fataal ongeluk! Er schoot een associatie door haar hoofd. Titia met haar krant, een paar dagen terug. Ze schuifelde een paar passen naar links, het pad over de klip op.
     ‘Staan blijven zeg ik je!’ De hese stem klonk dwingend maar ook onzeker. Wist hij wel wat hij wilde? Blijven praten, maar waarover. Zijn ongelukkige jeugd? De recente prestaties van ADO-Den Haag? Die psychologen die in de televisieseries opsporingsteams begeleidden hadden altijd mooi praten. ‘De dader is een jongvolwassene met een onvoltooide middelbare schoolopleiding en een rancune tegen intellectuelen. Hij woont nog bij zijn moeder’. Hij deed een stap in haar richting. Het was nu of nooit. ‘Ren voor je leven, zo dicht mogelijk langs het gras’. Het was alsof een stem buiten haar instructies gaf. Ze zette aan en begon te spurten.
     ‘Godverdegodverdegodver’ hoorde achter zich. En dan ‘Fuck. Fuck, fuck fuck!!!’. Ze keek om en zag hem onderuitgegaan op het, inderdaad, spekgladde gras. Had de bocht afgesneden. Hij gleed naar de rand en had nergens een mogelijkheid om zich af te zetten of vast te houden. Christus, dat mocht toch ook niet. Dit was moord, of net zoiets. Eten of gegeten worden, zat er niets tussen? Verwilderd keek ze om zich heen. Het enige wat ze onder handbereik had waren een paar takken die bij de laatste storm van de struiken af waren gescheurd. En haar zakmes. Zou hij in het gras kunnen zetten. Ja, ze was daar gek, haar belager een dodelijk wapen geven. Ze had hem toch niet voor niets op dat natte gras gelokt? Had ze dat? Was zij verantwoordelijk voor zijn keus om achter haar aan te gaan. En ze was toch al te laat. Ze wierp een stuk hout naar de rode kop. Hij spartelde, greep ernaar, miste, gleed verder, gleed door, gaf een schrille krijs en verdween over de rand.

     Al die tijd had ze naar haar idee geen ademgehaald. Ze gaf een klein piepje, toen een snik en een rochel, en daarna kwam alles te gelijk. Met gierende uithalen zat ze op het pad te grienen. Boven haar cirkelde een mantelmeeuw.