Regels zijn regels


1)    

‘Honden moeten hier aangelijnd zijn’. De oudere jogger, rossig-grijze getrimde baard, gedrongen postuur, keek de vrouw in het gele windjack streng aan. ‘Kijk, daar staat een bordje’. Hij wees over zijn rug naar het bruggetje dat de entree vormde tot het kleine natuurgebiedje, aan de rand van de stad.
    ‘Och, we zijn er al bijna weer uit, nietwaar?’
    ‘Prettige dag nog’. De jogger vervolgde zijn weg, verder het terrein in. Hij hoorde mezen tsjippen en het verontwaardigde geroep van een opvliegende merel. Het was lekker weer voor de tijd van het jaar. Fris maar droog. Niets geen vorst, wat je toch vaak had, de dagen na kerstmis. Hij was blij zijn dagelijkse hardloop routine weer op te kunnen pakken na twee kerstdagen stilzitten en geneuzel van Aad en zijn vrouw aanhoren. Deze feestweek bevestigde ieder jaar weer zijn falen als family man.
Hij moest de lengte van zijn run maar weer geleidelijk aan op gaan voeren. De dagen voor kerstmis had hij zich beperkt tot drie rondjes door het landgoed, dat stond voor drie maal tien minuten. Vandaag maar eens vier rondjes. In zijn hoofd maakte hij afwegingen hoe hij het zo kon uitkienen dat hij ieder paadje maar één keer in beide richtingen zou gebruiken. Voordat hij het wist, was hij al aan het laatste rondje toe.
Verrek, daar over het veldje bij de andere uitgang kwam dat mens weer aanzetten. De cockerspaniël kwam dertig meter achter haar het dichte rietbosje waar hij afgelopen voorjaar karekieten had gehoord, uitgekropen.
     ‘Ik vind het flauw’ zei hij, toen hij haar bereikt had. ‘U ging weg zei u. Nu loopt u nog steeds met uw hond onaangelijnd rond.’
     ‘Het gaat u geen reet aan’.
     ‘Het gaat me wel aan. Ik ben een burger die gebruik maakt van dit kleine beetje natuur in de buurt van de stad. Dat gaat naar de kloten als we vogels en kleine zoogdieren niet met rust laten. En dus hebben we met elkaar…..’
     ‘Die hond moet vrij rondlopen. Dat wil zijn baas. Hij betaalt de bekeuring wel, zei hij’.
     ‘… afgesproken dat we hier honden aanlijnen’. De cockerspaniël was kwispelend op de jogger afgekomen die hem gedachteloos aaide.
     ‘En die hond doet niets. Je ziet toch hoe rustig hij is’.
     ‘Voor u geldt het niet? Net als fietsers die door het rode licht rijden? Ze zien wel dat er niets aankomt. Met als gevolg dat auto’s nauwelijks een weg kunnen oversteken terwijl hún licht op groen staat.
     ‘En honden kunnen nergens meer rondlopen.’ Boos draaide ze zich om en liep naar een geparkeerde bakfiets die met een groot slot om een verkeersbord vaststond.
     ‘En wat is de naam en het adres van die eigenaar?’ riep de jogger haar na. Een opgestoken middelvinger was zijn deel.

2)

     Hij stond in de deuropening in zijn joggerskleren. Hij bedacht zich en liep terug naar binnen. Hij kwam weer naar buiten, een klein bobbeltje in de zak van zijn trainingsjack, en begaf zich op een sukkeldrafje naar zijn parkje.
     Het was net zo’n dag als gisteren. Iets kouder misschien, geen wolkje in de lucht. Onnozele-Kinderen, bedacht hij, het was vandaag Onnozele-Kinderen. 28 December. De jongste mocht zeggen wat er gegeten werd. Hij kreeg een beeld voor ogen van de grote ronde tafel thuis waar ze met zijn achten aan zaten, zijn vader en moeder en zijn twee broers en drie zussen. De kerstboom, met, toen hij klein was, nog echte kaarsjes. Was ook een keer in de fik gevlogen, dat was het einde van het kaarsjestijdperk. Die keer dat zijn vader een bak water in de kerstboom gooide, toen lag er een enorm pak sneeuw buiten, herinnerde hij zich nog. Dat was vandaag wel anders. Zoals zo vaak de afgelopen jaren wilde het maar geen winter worden. Wat op zich wel lekker was voor zijn looproutine. Vandaag maar eens vijf rondjes doen?
Eenmaal op het landgoed zat er in het poeltje tussen de wilde eenden en meerkoeten ook weer een stelletje krakeenden. Had hij hier vorige lente voor het eerst gezien. Wanneer je goed oplette, ze leken nogal op het vrouwtje van de wilde eend, kon je ze regelmatig spotten. Was toch leuk hoe op zo’n gebiedje van, wat zou het zijn, een kilometer bij 800 meter, toch van alles ging nestelen. Het ijsvogeltje had hij gemist dit jaar. Drie voorjaren en zomers op rij was het een vaste waarde geweest, maar blijkbaar hadden de één of twee gezinnetjes die er gezeten zullen hebben het vorige winter niet overleefd. Kwam misschien wel weer.
Hij was in zijn tweede rondje toen zich met een vrolijk geblaf de cockerspaniël uit de bosjes losmaakte en op hem af liep. Sodeju! Maar hij was voorbereid.
Daar schemerde het geel van haar jack door het riet in de bocht van het pad. Zijn hand schoot naar de zak van zijn trainingsjack en hij liep haar met ferme pas tegemoet.
     ‘U bent wel hardleers.’
     ‘Man, flikker op. Bemoeial!’
    ‘Als u niet luisteren wil… ‘ hij haalde een mobieltje uit zijn zak, en richtte de lens op de vrouw met de hond aan haar voeten.
    ‘Als je dat maar uit je kop laat, fascist!’ Met een afwerend gebaar stapte ze op hem af en probeerde zijn telefoon uit zijn hand te slaan.
    ‘Ik wil mijn facebook vrienden graag laten zien welke hufters je nog in het wild kan tegenkomen. Misschien trekt het ook wel de aandacht van het bevoegd gezag….’  zei hij, langzaam achteruitlopend. Zij sprong naar voren, gaf een klap tegen zijn hand, de cockerspaniël rende blaffend om hen heen, hij duwde haar zo terug dat ze achteroverviel, hij raapte zijn mobieltje op en rende weg. De cockerspaniël bleef bij het vrouwtje staan.
Op een afstand stond hij hijgend stil. Hij keek op zijn mobieltje, de foto was mislukt, hij had afgedrukt toen zij zijn hand weggeslagen had, het was een impressie van de lucht met enige boomkruinen. Het was natuurlijk toch al een stom idee, want met de huidige privacywetgeving was waarschijnlijk híj degene die gelazer zou krijgen als hij haar op facebook zette. Nee, hij moest weten waar de eigenaar van de hond woonde.
De vrouw was omgedraaid en liep in de richting waar ze gisteren haar bakfiets had neergezet. Hij volgde op een afstand. Bij de bakfiets gekomen haalde ze die van het slot af en liet de cocker erin springen. Vervolgens hield ze een paar fietsers op het fietspad aan en wees in zijn richting.
De jogger draaide zich om en maakte dat hij wegkwam. Zachte sociale druk werkte blijkbaar niet. In zijn hoofd begon een rationeel keuzeproces te werken dat efficiënt mogelijke vervolgstappen met kosten en baten op een rij zette, een marginale winstmaximalisatie uitvoerde, een snelle haalbaarheidstest uitvoerde en zo tot een beslissing kwam.

3)

     Het weer was omgeslagen. Grauw en grijs, twijfelend tussen lage mist en motregen. Hij stak zijn mobieltje toch maar bij zich hoewel hij niet goed wist wat hij met eventuele opnames zou moeten beginnen. Ergens in zijn achterhoofd waarschuwde een stem dat hij het misschien ook wel eens voor zijn oorspronkelijke doel, een telefonische noodoproep, nodig zou kunnen hebben.
Het parkje leek uitgestorven. Stilte en eenzaamheid had altijd zijn voorkeur, maar nu was hij allesbehalve ontspannen. Hij had slecht geslapen. Hij was ontwaakt uit een nachtmerrie waarin mensen in een brandend pand zaten opgesloten. Een wanhopige zoektocht naar de sleutel, die telkens onder handbereik leek en iedere keer verplaatst bleek naar een volgende voor de hand liggende plek, en dan weer verplaatst bleek en zo voort. Hoewel hij nog niet aan rennen was toekomen, liep het zweet over zijn rug. Alleen een ekster kraste hoog in een berk.
Hij liep zijn rondjes. Vanuit zijn ooghoeken hield hij de tegenoverliggende paadjes goed in de gaten. Gespitst op mogelijk onraad draafde hij voort. Al drie rondjes niets te bekennen, maar in het vierde rondje stond daar in enen weer die bakfiets aan het verkeersbord. Dan, bij het keerpunt aan het begin van het parkje ontwaarde hij ze. De cockerspaniël, dravend door het gras, het gele jack, én, nog aangelijnd, een Duitse herder. Ze had hem nog niet gezien en snel sprong hij een zijpad in. Waarschijnlijk verried de wind hem want beide honden begonnen te blaffen. Hij zag geen uitweg dan omdraaien en smadelijk verliet hij voortijdig het park. Een niet voorziene tegenzet. Hij voelde dezelfde kille woede opkomen als indertijd, wanneer zijn orders niet strikt gevolgd werden.

     Het was geen nederlaag. Er was sprake van een tactische terugtocht. Recueillir pour mieux sauter, zo had hij dat ruim vijftig jaar geleden in de franse les geleerd. In die tijd, en nog wel een tien jaar daarop ook, had hij in talloze kat en muisspelletjes met politie en ME de nodige ervaring opgedaan in urban guerilla warfare. De term was populair onder de harde kern van de kraakbeweging. Terugtrekken en op adem komen was daarbij van niet te onderschatten betekenis. Om daarna keihard terug te slaan. Want het was wel duidelijk: aanspreken werkte niet. Dreigen met naming and shaming maakte geen indruk. Sterker, de tegenstander dreigde met geweld. Ze kon het krijgen. Morgen zou hij met een proportionele reactie komen.
Neemt niet weg dat zijn huidige run min of meer in het water was gevallen. Als goedmaker pikte hij maar een paar stratenblokjes extra mee, op een joggersgangetje. Hij hield er niet van, zo over straat te rennen, het had iets exhibitionistisch. Toen een straat verder ook nog eens opgeschoten jochies rotjes in zijn richting gooiden, hield hij het voor gezien. Rotjes afsteken, nog zo’n onderwerp waarover hij zich dezer dagen hevig op kon winden. Hij had er tweede kerstdag bij Aad en Mieke nog een discussie met Gijs over gehad. Die zou de volgende dagen met vrienden naar Antwerpen gaan. Deed daar nogal geheimzinnig over, maar vorig jaar na een dergelijk bezoek had hij rond oudjaar over reusachtige hoeveelheden vuurwerk beschikt dat in geluidsvolume al het gangbare Hollandse materiaal met tientallen decibels overtrof. De tirade die hij had afgestoken was een van de sfeerbepalende elementen geweest van zijn kerstbezoek aan zijn zoon, het enige familielid waarmee hij nog omgang had.

4)

     Dezelfde grijsheid als gisteren, maar kouder. Hij stak zijn mobieltje bij zich en greep uit de broodtrommel ook een plastic zak. Ook trok hij een paar wegwerp plastic keukenhandschoenen aan. Zijn eerste gang was ditmaal niet naar zijn vaste loopstek maar hij ging stadwaarts. Op een tien minuten lopen wist hij een kinderboerderij. En ja, zoals hij gedacht had, ernaast was een honden uitlaatplek.
Het was er wel heel rustig. Hij moest tien minuten geduld hebben voor een hondenbezitter er zijn beestje van een onbestemd vuilnisbakkenras de vrije teugel kwam geven.
    ‘Ik had wel een grotere drukte hier verwacht, zo in de loop van de ochtend’ sprak hij zijn verbazing uit tegenover het baasje, een man in dezelfde grijze leeftijdscategorie als hijzelf.
    ‘Ach, het is vakantie. Zo met de feestdagen trekken de mensen er nog wel op uit. Ik zou ze de kost niet geven die deze dagen rond oudjaar met hun hond een paar dagen een rustiger oord opzoeken. Ze worden hartstikke gek van al dat geknal. Hem daar …’, hij knikte eens naar zijn scharminkel, ‘… doet het niet veel, maar hij is ook zo doof als een kwartel.’
     ‘Ja, ja, die beesten hebben het zwaar. Ik kan het me helemaal indenken, want ik vind het ook niet te harden. Je waant je een dag of vijf in oorlogsgebied met dat geknal om je heen. Gelukkig is het na morgen voorbij’. De hond zat inmiddels bij een boompje, midden op zijn speelterrein, gehurkt hijgend zijn behoefte te doen. Toen de baas zag dat alles er naar behoren uit was, floot hij kort en lijnde de hond aan voor de thuistocht. Nadat hij om de hoek verdwenen was, spoedde de jogger zich met gehaaste tred het veld op, goed uitkijkend om niet in de links en rechts verspreide, inmiddels opgedroogde, drollen te stappen en strekte zijn gehandschoende handen uit naar het verse uitwerpsel, dat er nog fris bij lag te dampen. Hij raapte het op en deed het in de geopende plastic zak die hij met een snelle beweging dichtbond.  
Nu was het tijd voor het trainingsrondje. Hij nam echter niet de gebruikelijke weg naar zijn vaste plek maar maakte een omtrekkende beweging, zodat hij het parkje benaderde van de kant waar de vijand, zoals hij haar inmiddels was gaan betitelen, haar bakfiets tegen het verkeersbord zette.
Zoals hij verwachtte, stond de bakfiets er. Van het gele jack geen spoor. Hij opende de plastic zak en besmeerde zadel, trappers en bak van binnen met de verzamelde hondenstront. “Stof tot nadenken voor mens en dier” mompelde hij, intussen de rotzooi zo egaal mogelijk over alle plekken verspreidend.  Hij overwoog om van een afstand de gevolgen van deze aanval te observeren, maar de mogelijkheid van een ontketende herdershond weerhield hem daarvan. Dit is nog maar de inleidende beschieting, bedacht hij. Zo-even had hij inspiratie voor de finale afrekening gekregen. Maar dat vergde meer voorbereiding.

     Thuisgekomen greep hij de telefoon.
     ‘Hoi Mieke, met Edwin. Is Gijs ook thuis? Hoe laat kan ik hem bellen? Oh weet je, dan kom ik straks wel even langs’
Op Spotify zocht hij een album van James Blood Ulmer uit. Hij had behoefte aan dwarse muziek. Vervolgens googelde hij wat heen en weer totdat hij het YouTube filmpje gevonden had dat hij zocht. Hij prentte zich de aanwijzingen nauwkeurig in.
Hij liep naar de keuken en bakte een ei. Met zijn bord met brood en ei liep hij naar de tafel waar een schaakstelling op een schaakbord stond opgezet. Met zijn hoofd leunend op een arm staarde hij naar het schaakprobleem, intussen met een vork in zijn andere hand de happen brood naar zijn mond brengend. Af en toe verschoof hij een paar stukken, bekeek het resultaat en bracht de situatie weer terug in de uitgangsstelling. Hij schaakte graag.

      Tegen de schemering vertrok hij. Het was gaan sneeuwen. Op de hoek van de straat stapte hij op een bus en reed vijf haltes mee. Hij stapte de bus uit en liep een paar straten verder. Hij belde aan bij een rijtjeshuis. Door een spleet tussen de gordijnen schenen de lichtjes van een kerstboom. Een vrouw van middelbare leeftijd deed open, kuste hem vluchtig langs de wang en draaide zich om, naar binnen roepend. Even later verscheen een jongen van een jaar of achttien in een grijze hoodie. Er werd even overleg gepleegd, toen ging de jongen weer het huis in om even later terug te keren met een tas van de Jumbo. Hij tastte in zijn achterzak naar zijn portemonnee, haalde er enige biljetten uit en overhandigde die aan de jongen. Tien minuten later zat hij weer in de bus, nu in de omgekeerde richting. Het sneeuwde gestaag.

5)    

      Het had blijkbaar de hele nacht door gesneeuwd want er lag een fors pak. Hij had extra thermo-ondergoed en –sokken aangedaan want hij voorzag een koude wacht. Het was nog donker toen hij de deur uitging. Met de tas van de Jumbo in zijn linkerhand nam hij dezelfde omweg als gisteren en begaf zich rechtstreeks naar het verkeersbord dat hij in gedachten als hun “vaste ontmoetingsplek” betiteld had. Het had zo hard gesneeuwd dat het paaltje, met bovenop de tekst “Honden aanlijnen” nog maar net boven de sneeuw uitkwam. Het begon licht te worden. Hij bukte zich, maakte een sneeuwbal en rolde deze om en om in de sneeuw. Binnen tien minuten was er naast het verkeersbord een kleine sneeuwpop verrezen.  Hij groef nu in de onderste bol van de sneeuwpop en plaatste de inhoud van de Jumbotas in de ontstane holte. Vervolgens metselde hij de opening weer dicht met sneeuw. Hij bekeek het resultaat even kritisch, pakte een als oud vuil weggegooid kerstboompje van de kant van de stoep en wiste daarmee de voetsporen rond het verkeersbord wat uit. Over de straat liep hij weg, af en toe een blik over zijn schouders werpend. Honderd meter verderop was een bushalte van waar af de sneeuwpop geobserveerd kon worden zonder dat hijzelf in het vizier kwam. Hier betrok hij zijn Wacht am Rhein.

     Er zat vast nog meer sneeuw in de lucht. Hoewel het al over tienen was, was het wolkendek nog steeds donkergrijs en leek het alsof het vandaag niet licht zou worden. Hij begon ook behoorlijk af te koelen. Het eerste uur had hij zich nog op temperatuur kunnen houden door over een afstand van honderd meter heen en weer te marcheren. Goddank was het een stille buurt zonder huizen zodat hij niet te veel in het oog viel. Nu het al tegen half elf liep, durfde hij zijn uitkijkpunt niet meer te verlaten. Hier stond hij en hij kon niet anders. Het was de uitkomst van zijn zetten en zijn verwachtingen van de zetten van de tegenpartij. Ooit brandde zo het pand af dat hij tot het bittere eind had verdedigd.

     De sneeuwpop stond parmantig naast het verkeersbord. Vanaf een nabij staande lantaarnpaal sloeg een kraai een en ander belangstellend gade. Zoals hij de gewoonten van de vijand meende te kennen, kon het hondentransport nu ieder moment verwacht worden.

     Hij hoorde een klok elf keer slaan. Hij had geen gevoel meer in zijn ledematen. Hij had dode vingers. Dan, ietwat vertraagd, registreerden zijn hersenen dat zijn ogen beweging bij het verkeersbord hadden waargenomen. De fietskar was gearriveerd, hij zag beide honden maar er was ook versterking meegekomen. Het gele jack was omring door twee helpers met bivakmutsen op. Honkbalknuppel in de hand. Ze keken in het rond, hij dook achter de bushalte, en in één reflexmatige handeling had hij zijn hand in zijn zak gestoken, het mobieltje gepakt, en de app geactiveerd.

     Het resultaat was oogverblindend, oorverdovend en in meerdere opzichten spectaculair. Eerst zag hij, als in een slow motionfilm, langzaam een gemengde techniek van sneeuw, takken, fietsonderdelen, dierlijke en menselijke vormen omhoog rijzen en na een vlucht van enige meters weer neerdalen.  Als een voortgeplante golfbeweging werd deze óprijzende beweging voortgezet door opvliegende vogels en losgeslagen takjes en bladeren. Het ging gepaard met een knal die de pijngrens op zo’n honderd meter afstand aanzienlijk overschreed; zo moet de eerste inslag van het inleidende bombardement van de slag bij Verdun hebben geklonken. Dan even, gedurende een paar microseconden: stilte, neerkomen, onmiddellijk doorbroken door geblaf, gejank, gevloek, en een zacht jammeren. Alle betrokkenen leken gekluisterd aan de ongeluksplaats. Gelegenheid om zich zachtjes uit de voeten te maken en het na honderd meter op een rennen te zetten.

6)

     Het parkje ligt er helder bij in de lentezon. De laatste sneeuwklokjes laten het kopje al hangen en maken plaats voor een overdaad aan krokussen en de eerste narcissen. Er klinkt een Haydn symfonie in zijn hoofd. ‘Lammetjes in de wei’ noemde zijn oma dat. ‘Zet die lentemuziek nog eens op.’ Hij was weer als negenjarige op bezoek bij zijn oma aan de deftige Laan van Meerdervoort. In het kastje onder de grote Philips buizenradio stond de Garrard grammofoon. In het vak daarnaast een album met in papieren hoezen gestoken 78 toeren platen. Ze wilde altijd “de vier jaargetijden” van Vivaldi, of een symfonie van Haydn horen. Ze neuriede zachtjes mee terwijl ze de jonge Edwin een kopje thee inschonk. Keurig, precies tot het randje. Ze presenteerde een Mariakaakje.
 Het zevende rondje zit er bijna op. Zijn conditie is de afgelopen maanden aanzienlijk verbeterd. Meer rondjes, snellere rondetijden. Eigenlijk was het parkje te klein voor zijn ambities geworden, maar hij kon de plek niet loslaten.
     De vogels zijn bijzonder actief. Hij heeft zijn eerste tjiftjaf gehoord.  Tjif – tjaf, met een kwart ertussen.  Hij heeft het parkje voor zich alleen wanneer hij zijn achtste rondje begint. Dan ontwaart hij een medegebruiker. Ze heeft een geel jack aan. Tik – tik. De stok heeft maar één toonhoogte. Een rood-witte band bij het handvat. De hond is aangelijnd.