peter-verhaak.nl

Dwarsliggers

Proloog



Een oude kennis

 

Alles wel beschouwd is het een raar krom mannetje, maar wat een viriel geluid krijgt hij uit zijn toeter. Geen virtuoze notencascades, één frase in oneindige variatie volstaat. Die timing! Die sound! Ze zeggen dat hij nog steeds dagelijks oefent, en dat op zijn leeftijd. De meeste grote saxofonisten zijn dan gewoon dood. (Goed voornemen voor de komende weken: iedere middag een uur spelen. Ik weet nu al dat het niet gaat gebeuren.)
Nu staat-ie op één been, knie voor de hoorn, pogend die lage bes nog lager te krijgen. Hij beweegt over het podium met de energie en souplesse van een vijftigjarige. Zo oud moet  hij geweest zijn, toen ik hem voor het eerst live zag in de Rotterdamse Doelen. Ik was er samen met Arie, Otje en Boes. We waren er in een oude Eend naartoe gereden en jakkerden om vier uur ’s nachts terug naar Utrecht. Uren later dan gedacht. De hoofd-act was pas rond middernacht begonnen - gedoe met de instrumenten en versterkers - en na afloop reeg onze held de toegiften aaneen alsof hij een “best of” album afspeelde. Op die terugweg was het zo’n noodweer dat de ruitenwisser het niet meer trok. Toen het zicht minder dan vijf meter was, hadden we de auto tien minuten op de vluchtstrook gezet. De doordenderende vrachtwagens raasden met 100 km/uur langs ons heen. Otje was hysterisch gaan gillen toen een gulp water door een scheur in het canvas van het dak in haar nek stroomde. Het duurde wel vijf minuten voor ze tot bedaren kwam.

Sonny Rollins was toen al een legende. Kan een legende nog legendarischer worden? Ja dat kan. Nu viert hij op het North Sea Jazz Festival zijn 80e verjaardag.
De zaal zit behoorlijk vol, maar je kunt niet over de hoofden lopen, zoals vroeger. Als Miles Davis speelde, kon je er drie kwartier voor aanvang niet meer in. Vandaag is de grootste publiekstrekker waarschijnlijk Stevie Wonder, rond middernacht. Ga ik zeker heen, maar Stevie is geen Davis, Charles Mingus of Sun Ra. Het is toch meer Music for the Millions geworden. Hier zit een Oude Man, mijmerend over tijden die nooit meer terugkomen. Toen we Indië nog hadden en een dubbeltje nog een dubbeltje was. Dit is de zevende keer dat ik op dit festival rondloop. Twee keer met Klaartje. Toen was het al uit, maar wat donderde het? Eén keer met Arie. Oh ja, Jane is ook een keer meegegaan. Geen van hen zie ik nog.

Met een vrolijke calypso heeft hij zijn set beëindigd en de zaal stroomt leeg. Buiten hangt een  walm van gebraden worstjes. Met een hot dog ga ik op de traptreden in de zon zitten. Voor het hoofdgebouw staat een strak georganiseerde big band van een of andere Amerikaanse  highschool te blazen. Saaie muziek, maar iedere snotneus op het podium heeft meer muzikaliteit in zijn pink dan ik ooit zal verkrijgen, ook al ga ik vanaf morgen vier uur per dag oefenen. Vooraan zit een mooi meisje met een altsax. Ze zal wel een tweede of derde altpartij hebben want ze heeft nogal eens een pauze. Dan blijft ze ingespannen op haar muziek turen, om op tijd met haar riffje te kunnen komen. Ze doet me aan Klaartje denken, toen we samen in de Big Band van de Muziekschool speelden. Vanwege haar grote bos donker krullend haar en vanwege haar houding. Klaartje kon ook zo vol overgave op de partituur staren. Zo aandachtig als ze musiceerde, zo slordig was ze in de dagelijkse dingen. Uren zoeken naar haar portemonnee, totdat ze de kaas op haar bureau aantrof en daaruit afleidde dat de portemonnee wellicht in de koelkast te vinden zou zijn. Nonchalant met dingen maar ook nonchalant met mij. Hoe vaak ik voor niets in een café heb zitten wachten. Toen ze ten slotte een reis naar Griekenland met een vriendin geboekt had in de week dat we naar een uitvoering in Parijs zouden gaan, heb ik er een punt achter gezet.

‘Ik ga niet de hele dag dingen doen die ik kut vind.’ Aldus een jonge dame, naveltruitje, piercing door haar neus, rossige paardenstaart uit de achterkant van haar baseball pet, die al telefonerend naast me is komen zitten. Daar zit wat in. Ik heb dit standpunt misschien te weinig ingenomen in mijn leven. In de fabel van De la Fontaine ben ik meer mier dan krekel, zal ik maar zeggen. Jarenlang akkoorden spelen om een middelmatig amateur-saxofonist te worden. Dagelijks op dezelfde plek en hetzelfde tijdstip een foto van de rode beuk in het park nemen, om na een jaar een poster van 365 beuken af te kunnen drukken. Een idee dat door anderen beter en eerder is uitgevoerd. Alle weken 38 werkuren aanwezig zijn om eenmaal per jaar een maand weg te kunnen. Alleen mijn studie kunstgeschiedenis heb ik niet volgehouden. Ik stopte na negen jaar bij gebrek aan vooruitzichten. Ik zag niets meer in een toekomst als kunsthistoricus. Had ik die gezien, dan had ik het geploeter aan een scriptie over pigmenten die in de vroege middeleeuwse boekverluchting gebruikt werden, wél kunnen volhouden.
   ‘Nou, dan maar geen centen deze week,’ besluit de krekel naast me haar gesprek. Ik kijk eens opzij. 634-5789 staat er in het blauw op haar bleke besproete bovenarm getatoeëerd.
    ‘Moet ik dan maar een biertje voor je halen?’ bied ik aan.
    ‘Zit je me nu af te luisteren?’ vraagt ze met opgetrokken wenkbrauwen.
    ‘Dat is moeilijk te vermijden. Je zit al tien minuten in mijn oor te tetteren,’ antwoord ik beminnelijk.
    ‘Werkelijk? Nou sorry hoor. Doe mij maar een pilsje.’ En ze duikt weer op haar mobieltje om een nieuw bericht te bekijken.
Met twee biertjes kom ik terug. ‘Al mooie dingen gehoord?’ Ik ben bang dat ik de toon aansla van een vader tegenover zijn puberdochter. Alleen heb ik geen puberdochter.
    ‘Eigenlijk alleen Katie Meluah. De rest is allemaal van die pokkenherrie. Daar ga ik niet lekker op. Ik had meer hiphop verwacht, maar daar zijn ze hier nog niet aan toe.’
Dat is het voordeel van de jeugd. Die kan, ongehinderd door kennis of ervaring, onbevangen oordelen,  waarbij ze per definitie gelijk heeft, want het ontbreekt haar aan vergelijkingsmateriaal. Ik heb zelf als achttienjarige ook wel verkondigd dat die jazzknakkers eens goed naar een solo van Ron Bushy van the Iron Butterfly moesten luisteren. Ze praat nog een tijdje door maar ik luister al niet meer. Jonge mensen hebben geen benul van de herkomst van hun muziek. Ze lopen weg met de laatste hiphopper maar weten niet dat zijn samples rechtstreeks van Miles Davis of John Coltrane afkomstig zijn. Ik ben zo verstandig om geen lofzang op de goede oude tijd te beginnen. Daar heb ik vaak genoeg mijn neus aan gestoten. Ik moet misschien het idee eens los laten dat er absolute waarheden bestaan, van schoonheid bijvoorbeeld. Of van de deugdelijkheid van mensen. Ik bevind me al tijden in een vacuüm. Er zijn geen medestanders meer. Ooit wist ik wat deugde en wat niet deugde. Sterker, ik bevond me in gezelschap van geestgenoten die dat, zonder enige discussie, voor honderd procent met me deelden. Of het nu om goed of fout in de politiek ging, om kunst die er toe deed of om je muzikaal gelijk. Vroeger kwam ik op dit festival met wildvreemden enthousiast in gesprek over het laatste concert, we hoorden allemaal bij hetzelfde geheime genootschap dat aan een enkele hint genoeg had om een feest van herkenning te vieren. Niemand hoefde overtuigd te worden. Maar mijn tijd is geweest. Mijn oude codes worden niet meer begrepen, ik begrijp de nieuwe niet meer. Wat me rest is zwelgen in mijn oude waarheden en ze tot het bittere einde verdedigen.
   ‘… en ik zeg nog, laat ze lekker in de stront zakken,… maar je luistert gewoon niet. Nou doei dan.’ En ze is uit mijn leven verdwenen voordat ze erin beland was.

‘Cry! Baby cry!’ Nee, het is geen Beatles tribute band maar Stevie Wonder die een healing sessie voor het North Sea Festival publiek presideert nadat we met zijn allen het Nederlands elftal op grote beeldschermen kansloos van Spanje hebben zien verliezen in de finale van het WK voetbal in Zuid-Afrika. Ja, North Sea Jazz is een echt festival geworden, met een multidisciplinaire aanpak: zo heb je Sonny Rollins, dan weer oude jazz foto’s, dan weer voetbal en Stevie zal onze wonden helen. Misschien nog een cabaretier? Onzin, de heer Wonder vervult die rol uitstekend. Hij ziet kans mijn hele jeugd voorbij te laten komen, alsof ik al in de aula bij mijn eigen begrafenis zit. Mijn eerste anti-oorlogsdemonstratie – Blowin’ in the wind  - ,   Klaartje, swingend op een oudjaarsfeest in het studentenhuis met heel veel rode bietensalade  - Isn’t  she lovely? -  en de beginjaren van onze muziekbibliotheek waar we de albums Inner Visions en Songs in the Key of life niet aan konden dragen. Daarna werd het disco, but that’s another story. Het concert van Stevie Wonder verwarmt het hart. Hier vind ik medestanders met wie ik één moment iets deel vanwege het gemeenschappelijk referentiekader zoals met de top-2000 in de laatste week van het oude jaar: “oh, ik sta hier samen met mijn vader mijn nieuwe kamer te behangen en we hebben net keihard samen met Hotel California staan meezingen. Hij zit weer in zijn eindexamenklas.” Maar het is wel een beetje surrogaat.

Als Stevie zijn anderhalf uur lange show beëindigd heeft, loop ik door de menigte in de richting van een bar.  Om me heen zindert Stevies vibratie nog na. Don’t you worry about a thing. Iedereen lijkt op een wolkje te bewegen, en we lopen allemaal over van onderlinge uitingen, niet zomaar van beleefdheid, maar van pure naastenliefde. Het Oranjegevoel tijdens de voetbalwedstrijd versterkt met het top-2000 momentje. We hebben allemaal toch een beetje gewonnen.
Net wanneer ik mijn bestelling wil plaatsen, voel ik een zware hand op mijn schouder. Ik draai me om en sta oog in oog met Charles Bruinsma. Ik heb hem in geen veertig jaar gezien, maar deze vierkante kop, afgerond op de hoeken, met deze breed lachende mond, en dit alles geplaatst op een massief lichaam van meer dan twee meter lang en zo’n halve meter breed is onmiskenbaar. Z’n haar is en brosse geknipt en hij heeft een stevige snor waaraan veel zorg besteed is. Hij torent ongeveer anderhalve kop boven me uit.
We zaten onze hele middelbare schooltijd naast elkaar in de schoolbanken. Charles woonde als enig kind met zijn moeder om de hoek van het P. Donderscollege. Zijn vader was overleden toen Charles nog een baby was. Dat huis om de hoek van de school was een gunstige locatie, zeker wanneer er uren voor of na de pauze uitvielen. We hebben er menig robber gebridget, Charles, zijn buurmeisjes, de meisjes Wielemakers en ik. Wanneer ons bezoek voorzien was, bereidde moeder Bruinsma overdadige lunches, met croissants, voor mij toen een onbekende broodsoort, huzarensalades en in juni Hollandse Nieuwe.
Charles en ik deelden een zekere culturele belangstelling, gingen wel samen naar tentoonstellingen en naar toneel. Politiek stonden we lijnrecht tegenover elkaar. Waar ik met de pacifistische PSP wegliep, had Charles conservatieve, om niet te zeggen vrij rechtse neigingen. Ook op geloofsgebied liepen onze meningen uiteen. Ik, opgevoed in de nadagen van het “Rijke Roomse leven” dreef vrij onachtzaam weg uit de wereld van de geloofsbeleving en met mij miljoenen anderen op dat moment. Ik was nog betrokken bij kerkelijke uitingen van ontwikkelingshulp en liep als 18-jarige, zoekend naar een vroegchristelijk socialisme, mee met de Pax Christi voettocht terwijl Charles en met name zijn moeder zich hard maakten voor het herstel van de Latijnse ritus in de mis en sympathiseerden met in mijn ogen fascistische organisaties als het Spaanse Opus Dei. Bij hem thuis werd Confrontatie gelezen. We gingen studeren en onze wegen scheidden definitief toen Charles enthousiast lid van het Studentencorps werd en ik de zijde van de net opgerichte Studenten Vakbond koos. 

‘Balt Kurpershoek, het kan niet missen. Geen steek veranderd.’
     ‘Dat moet jij zeggen, Charles Bruinsma. Jij bent wel de laatste die ik hier verwacht had.’ Hij staat te dicht op me om met uitgestoken hand op hem af te gaan, maar voor een berenhug was ook veertig jaar geleden onze relatie al niet intiem genoeg. Behalve op het gebied van politiek en religie, waren we als puber ook in muzikaal opzicht nauwelijks verwant. Charles was volkomen ongeïnteresseerd in populaire muziek en op het gebied van klassieke muziek had hij een behoudende smaak: Chopin en Tsjaikovski waren zijn favorieten. Ik weet nog dat ik hem aan het einde van onze middelbare schoolperiode eens meetroonde naar een Prom Concert, de poging van het Brabants Orkest om een jeugdiger publiek aan zich te verbinden. Daar werd moderne klassieke muziek in een mix samengebracht met heel brave jazz en popmuziek. Louis van Dijk speelde als solist het pianoconcert in G van Ravel. Charles heeft het hele concert alleen maar zitten afgeven op het feit dat de musici spijkerbroeken droegen en dat er gefloten werd in plaats van geklapt. Dat schiet allemaal door me heen. Ik houd het maar bij een klopje op de schouder, waarvoor ik nog best hoog moet reiken.
   ‘Ik was hier met wat vriendjes van de Jaarclub. Ze hadden me ouderwetse dixieland beloofd, maar daar kwam het geloof ik niet van. Maar leuk reünietje. De meesten zijn na die kansloze nederlaag afgetaaid. Dus ik loop hier wat rond me heen te kijken en wie zie ik: Kurpershoek, Kerel, hoe gaat het met je?’
Tja. Corporale jovialiteit waar ik me nooit zo bij heb thuis gevoeld. Hij draagt nog steeds een blauwe blazer boven een ribbroek. Compleet met choker.
   ‘Alles wel. Zijn gangetje. Biertje doen?’ Met twee pils banen we ons een weg naar buiten waar we een vrije bank vinden. We proosten en kijken elkaar onderzoekend aan. Charles lijkt een gezant van een rijk uit een ver verleden waarvan al decennia niets vernomen is. Wat vraag je zo iemand?
   ‘Wat doe je tegenwoordig?’ zeg ik.
   ‘Ik woon in Twente. Ben al vijftien jaar notaris in Oldenzaal.’ Dat was waar ook, zijn moeder kwam uit die contreien. Charles ging vroeger al logeren in Ootmarsum of Denekamp, die kant uit in ieder geval. Hij gaf ook altijd hoog op over het Twentse carnaval dat beter zou zijn dan het Brabantse. ‘Getrouwd, twee kinderen, jongen en meisje. Jan-Willem doet volgend jaar eindexamen. En jij?’
    ‘Ik woon in Utrecht, ik werk als bibliothecaris. Ik leid een ongebonden bestaan’. Ik probeer een nonchalante toon aan te slaan. 
   ‘Je zet de bloemetjes buiten.’ Verbeeld ik het me of klinkt er enig dedain in zijn stem?
   ‘Als dat jouw opvatting van ongebonden is. Kom je nog wel eens in het Zuiden?’
   ‘Welzeker. Mijn moeder woont er nog steeds, op zichzelf, nog steeds in het oude huis naast de school.’
   ‘Die moet in de negentig zijn!’ zeg ik met nauw verholen verbazing.
   ‘Valt mee, ze wordt 84. Nog altijd goed bij. Ze is nog steeds actief in besturen en adviesorganen van de Katholieke kerk. Ach, zo blijf je meetellen in de maatschappij voor je eigen gevoel. Wanneer ik bij haar langs ga, krijg ik altijd een uitgebreid verslag van al haar besognes. Hoe gaat het met jouw ouders?’
   ‘Die zijn dood. Toen mijn moeder vijf jaar terug overleed, hebben mijn zus en ik het huis verkocht. Ik kom nooit meer in X. Ook geen contact meer met de klasgenoten van vroeger. Zelfs mijn zus zie ik zelden. Dat jouw moeder nog zo actief is in die katholieke clubjes. Dat bestaat allemaal nog?’ Ik hoor teleurstelling en verbazing om voorrang vragen in de toon waarop ik de vraag stelde. Ik dacht vanuit de zeepbel waarin ik leef dat het Roomse leven voorgoed had afgedaan. Maar blijkbaar, ergens in een uithoek – Heel Nederland? Nee, ergens in een uithoek in het zuiden des lands, vergrootglas! – , bestiert ma Bruinsma er nog lustig op los.
   ‘Die instituties blijven overeind. Ledenaantallen lopen terug, uiteraard.’
   ‘Goh, en waar gaat dat dan allemaal over?’
    ‘Nou, heel interessant, je hebt die Commissie Deetman….’
    ‘Over frunnikende kapelaans en moeders overste…,’ zeg ik met een geringschattend lachje.
    ‘Je moet dat wel in een bredere context zien.’
    ‘We wisten toen toch allemaal dat sommige fraters op die lagere school, kom nou, dat Sint Jans College, waar de halve klas op had gezeten, de jongens dan, jij ook trouwens, dat die hun handen niet thuis hielden…’ Ik betrap mezelf op een licht-agressief toontje. Bruinsma laat zich niet uit het veld slaan.
    ‘Ik heb er nooit iets van gemerkt, maar ja, die praatjes gingen. Dat maakt het zo belangrijk dat een commissie met mensen van onbesproken gedrag die klachten inventariseert en op hun merites beoordeelt. Waar fouten gemaakt zijn, moeten we die rechtzetten. Maar men moet ervoor waken dat in het verleden ontstane rancune tot valse aanklachten leiden. Een heel verantwoordelijke taak.’ Hij praat alsof hij een pleidooi voor de rechtbank staat te houden.
    ‘En jouw moeder maakt deel uit van de commissie Deetman?’ Ik heb die hele affaire alleen zijdeling vanuit de kranten opgepikt. Gelukkig zit de Muziekbibliotheek boven de Openbare en lees ik Trouw bijna dagelijks. Ik kreeg niet de indruk dat bejaarde dames die Confrontatie lazen in die commissie de dienst uitmaakten maar wie weet, bedonderen ze ons nog meer dan we denken.
    ‘Nee, natuurlijk niet. Maar ze bridget wel met notaris Schoenmakers en zijn schoonzoon zit dicht bij het vuur. Weet je waar ze twee weken terug mee aankwam?’ Bruinsma kijkt me vorsend aan terwijl hij naar voren leunt – hij ruikt uit zijn mond –…
   ‘Geen idee.’
   ‘Eén van de beschuldigden op die lijst is Hoppenbrouwers. Hoppenbrouwers van Grieks en Latijn.’ Het komt er bijna triomfantelijk uit.
    ‘Man, Hoppenbrouwers was helemaal geen geestelijke. Die had gewoon klassieken in Nijmegen gestudeerd,’ werp ik tegen.
    ‘Het was een gesjeesde kapelaan. Hij was tien jaar voordat hij op P. Donders kwam, ontslagen in een parochie niet zo ver van ons vandaan vanwege gedoe. Een voorbeeld van het zelfreinigend vermogen van de kerk. Lang niet alles werd oogluikend toegestaan of met de mantel der liefde bedekt, zoals het zogenaamd progressieve deel der natie tegenwoordig meent te weten.’
Het is alsof hij me keihard met zijn vuist in mijn gezicht slaat. Hoppenbrouwers was indertijd één van de splijtzwammen in de op zich wel vriendschappelijke relatie die ik met Charles had. Hoppenbrouwers stond voor modern toneel, voor rare muziek, voor een rare houding ten opzichte van leerlingen in het algemeen. Kortom, voor alles wat in Charles’ ogen vies en voos was. En voor alles wat voor mij juist steeds belangrijker werd, mede dankzij Hoppenbrouwers. Charles denkt een wat pikant nieuwtje rond te bazuinen, maar hij stoot met één klap mijn idool van zijn voetstuk. Los daarvan ondermijnt hij mijn wereldbeeld behoorlijk door een aantal voor mij vaststaande waarheden onderuit te schoffelen. Mijn erudiete leraar klassieken die me inwijdde in Beckett, Kandinsky, Lucebert en, jawel, Sonny Rollins, zou een kapelaan of pastoor geweest zijn? Hij zou ontucht gepleegd hebben? Hij had gedoe met autoriteiten, ook bij ons op school, dat had ik later nog meegekregen. Maar   kan er op geen enkele manier bij me in dat Hoppenbrouwers, de persoon Hoppenbrouwers die ik gekend heb, zich aan  minder weerbaren vergrepen zou hebben.
    ‘Hij leeft dus nog?’
    ‘Anders kunnen ze je niet meer aanklagen, nietwaar?’ Charles is er vrij nuchter onder. Blijkbaar valt dit toch gewoon in de sfeer van de mededelingen die je over en weer doet wanneer je elkaar lang niet gesproken hebt. Het heeft voor hem minder lading dan voor mij. Ik verlaat het mijnenveld: ‘zie je nog wel eens klasgenoten?’
     ‘De ouders van Els en Ineke wonen nog steeds naast mijn moeder. Dus die groet ik wel eens uit de verte. Els dus, wanneer we beiden tegelijk onze ouders bezoeken. Ineke is naar Canada geëmigreerd. Els is psychotherapeute, moet hier ergens in de Randstad wonen. Ik was de enige uit de hele klas die in Leiden ging studeren, dus nee, ik zie nooit meer iemand van toen. Feitelijk is mijn leven met mijn studententijd opnieuw begonnen. Zo’n jaarclub, dat vormt toch de bodem onder je bestaan. Los van het feit dat ze je af en toe gijzelen op maffe muziekfestivals.’ Hij glimlacht zuinigjes.
Het sociale vangnet rond Bruinsma oogt zo aanzienlijk uitgebreider en meer solide dan het mijne. Een gezin, een jaarclub, toe maar. Vergeleken daarbij is mijn kring van intimi wel heel beperkt. We keuvelen wat verder over het grijze verleden – weet je nog dat we naar de Jeroen Bosch tentoonstelling in den Bosch gingen? – over het schoolblad – we zaten samen drie jaar in de redactie. Charles recenseerde concerten die in het kerkje aan de haven gegeven werden, ik liet een waanwijs licht schijnen over Provorellen en recenseerde de nieuwste LP van The Mothers of Invention; we hadden een stilzwijgende afspraak dat we elkaars bijdragen ongemoeid lieten. De laatdunkende reacties kwamen altijd van andere redactiegenoten.

Onze conversatie kabbelt voort. Charles grossiert in idées reçues, wat me de reden voor onze verwijdering indertijd weer scherp voor de geest haalt. Terwijl Pieter Bal en ik, door Hoppenbrouwers gevoed, op het scherp van de snede nieuwe revolutionaire wegen zochten, bleef Charles steken in de wereld die zijn moeder hem had bijgebracht. Alleen wanneer de teloorgang van de klassieke broodjeszaken ter sprake komt, “allemaal vervangen door shoarmatenten” , schiet zijn gemoed even vol. Tien minuten geleden hebben we geconstateerd dat het intussen half vier en nog een hele rit naar Oldenzaal is.

En ik moet ook nog naar Utrecht. Het is lekker stil op de weg. Ik had voor de gelegenheid een hele stapel CDs van Rollins meegenomen en onder de klanken van Tenor Madness toer ik nu over de A12. Hier, voorbij de afslag naar Driebruggen, stonden we volgens mij stil met die Eend. Deze dag lijkt verdomme wel een cineac vertoning. Mijn leven trekt vandaag doorlopend als een film aan me voorbij. Bij Stevie Wonder waren het hoogtepunten, nu, zes uur later, zijn het aaneengeschakelde momenten van spijt, van ongeloof, en van pure nieuwsgierigheid. Welke afslagen heb ik gemist? Welke kansen heb ik laten schieten? Hoe zat het nu echt in elkaar? Wat als en hoe dan verder?
Ik realiseer me dat ik zonder Hoppenbrouwers niets met Sonny Rollins gehad zou hebben, ook nooit op de muziekbibliotheek verzeild zou zijn geraakt. Hoppenbrouwers en gedoe met jongetjes, kan dat waar zijn?  Ik dacht die man te kennen, ik had het nodige met hem meegemaakt, maar blijkbaar is er een compleet verborgen leven dat mij nooit geopenbaard is. En, misschien nog wel erger, een man die ik hoger achtte dan wie ook, een man die mijn vormende jaren ingrijpend beïnvloed heeft, wordt verdacht van iets wat me tegenstaat en wat hij niet gedaan kan, nee, niet gedaan mág hebben. En in zekere zin heb ik hem in de steek gelaten. Ik moet het uit gaan zoeken. Op zoek naar een verloren tijd.
Verberg reactieformulier

2000 Resterende tekens